Eiser kreeg op 1 augustus 2023 een vaarvignet toegekend voor zijn vaartuig. Verweerder trok dit vignet op 21 augustus 2023 in met het argument dat het vaartuig geen pleziervaartuig maar een object zou zijn. Eiser maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Amsterdam.
De rechtbank oordeelt dat het om een intrekking van een toegekend vignet gaat en dat verweerder bevoegd is om een vignet in te trekken, mits dit voldoende wordt gemotiveerd. De kern van het geschil betreft de kwalificatie van het vaartuig als pleziervaartuig volgens de Binnenhavengeldverordening 2014 en de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob).
De rechtbank volgt de koppeling tussen beide verordeningen en stelt vast dat de definities van pleziervaartuig gelijkluidend zijn. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom het vaartuig van eiser niet als pleziervaartuig kan worden aangemerkt. De kenmerken van het vaartuig, waaronder de herkenbare boeg en achtersteven, de stuurkolom en de wendbaarheid, spreken volgens de rechtbank voor een pleziervaartuig. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.