ECLI:NL:RBAMS:2025:6888
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
GVB maakt verboden onderscheid jegens reiziger met handicap door onvoldoende assistentie bij tramlijn 25
Eiser, een reiziger die zich met een elektrische rolstoel verplaatst, ondervond meerdere malen problemen met het gebruik van tramlijn 25 van GVB, omdat het personeel onvoldoende hulp bood bij het plaatsen van de draagbare instapplank. Eerder had eiser al klachten ingediend over de toegankelijkheid van buslijn 55, wat leidde tot een bindend advies van de Geschillencommissie en een oordeel van het College voor de Rechten van de Mens dat GVB verboden onderscheid maakte.
Na een proefperiode waarin eiser 14 ritten maakte met tram 25, bleek dat in drie gevallen geen assistentie werd verleend en in meerdere gevallen het personeel onwetend was over de aanwezigheid en het gebruik van de draagbare plank. GVB stelde dat zij aan haar inspanningsverplichtingen voldoet, maar de rechtbank oordeelde dat de uitvoering tekortschiet.
De rechtbank verklaart voor recht dat GVB verboden onderscheid maakt op grond van handicap in strijd met de Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en het Besluit toegankelijkheid openbaar vervoer. De vordering tot het beschikbaar hebben van toegangsvoorzieningen wordt afgewezen, evenals de vordering tot een dwangsom. GVB wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.
Uitkomst: GVB maakt verboden onderscheid jegens reiziger met handicap door onvoldoende assistentie bij tramlijn 25 en wordt veroordeeld in proceskosten.