Verzoekers, exploitanten van tabak- en souvenirwinkels in Amsterdam, dienden op 1 juni 2024 aanvragen in voor exploitatievergunningen. De burgemeester wees deze aanvragen op 23 juli 2025 af, met het bevel de exploitatie binnen twee weken te staken. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om schorsing van deze besluiten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van spoedeisend belang, omdat verzoekers geen concreet en cijfermatig inzicht hadden gegeven in hun financiële situatie. Hoewel zij stelden dat sluiting tot faillissement zou leiden, was dit onvoldoende onderbouwd. Ook was niet duidelijk wie precies failliet zou gaan en welke gevolgen dit voor elk van de acht bedrijven zou hebben.
Daarnaast bleek dat de eigenaar recentelijk andere bedrijven had verkocht voor aanzienlijke bedragen en dat er sprake was van belastingontduiking, wat de financiële situatie complex maakte. De voorzieningenrechter vond ook geen sprake van evidente onrechtmatigheid van het besluit van de burgemeester, mede gezien de complexiteit van de zaak.
Verder werd meegewogen dat drie winkels eerder al voor circa anderhalve maand gesloten waren zonder dat dit tot faillissement leidde. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.