Verzoeker diende een aanvraag in voor een bewonersvergunning voor een adres in Amsterdam. De aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders afgewezen met een besluit van 7 november 2024. Verzoeker maakte bezwaar, maar het bezwaar werd op 4 juli 2024 eveneens afgewezen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Amsterdam en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 1 september 2025, waarbij verweerder aanwezig was en verzoeker zich had afgemeld. Tijdens de zitting verklaarde verweerder alsnog bereid te zijn de bewonersvergunning toe te kennen, waardoor het bestreden besluit niet langer werd gehandhaafd.
De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder verzoeker in aanmerking brengt voor de bewonersvergunning zoals toegezegd. Het beroep werd gegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar verweerder werd opgedragen het griffierecht te vergoeden indien verzoeker dit had voldaan.