ECLI:NL:RBAMS:2025:6674

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
11 september 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4686
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbZiektewetWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voorschot WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin de toekenning van de Ziektewet- en WIA-uitkeringen werd herzien en terugvordering werd gevorderd. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij een voorschot op de WIA-uitkering zou ontvangen.

Tijdens de zitting op 3 september 2025, waarbij verzoeker werd vertegenwoordigd en het UWV afwezig was, heeft de voorzieningenrechter beoordeeld of er sprake was van een spoedeisend belang. Dit is vereist om een voorlopige voorziening toe te kennen.

Hoewel verzoeker stelde geen inkomsten en geen financiële reserves te hebben en niet in staat te zijn te werken vanwege zijn gezondheid, heeft hij dit niet concreet onderbouwd met objectieve bewijsstukken zoals bankafschriften of een overzicht van zijn lasten.

De voorzieningenrechter concludeerde dat zonder objectief inzicht in de financiële situatie van verzoeker geen acute noodsituatie kon worden vastgesteld die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Verder werd opgemerkt dat een eerdere uitspraak van 31 juli 2025 de WIA-uitkering aan verzoeker had toegekend totdat op bezwaar was beslist, en dat verzoeker zich tot het UWV moet wenden indien deze uitspraak niet wordt nageleefd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een voorschot op de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4686

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] (Duitsland), verzoeker

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder (hierna: het UWV).

Procesverloop

Met het besluit van 18 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV de toekenningsbeslissing van de Zw [1] -uitkering van 24 maart 2021 en de toekenningsbeslissing van de WIA [2] -uitkering van 28 december 2022 herzien en geconcludeerd dat verzoeker met ingang van 1 januari 2021 geen recht had op een Zw-uitkering en met ingang van
26 december 2022 geen recht had op een WIA-uitkering.
In hetzelfde besluit vordert het UWV de ten onrechte aan verzoeker uitbetaalde Zw-uitkering en WIA-uitkering terug.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat aan verzoeker een voorschot op een WIA-uitkering wordt uitbetaald.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Bal, waarnemer van de gemachtigde van verzoeker. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
1. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist. [3] Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat hij inhoudelijk op het verzoek in kan gaan.
2. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, ligt die lat hoog. In principe kan namelijk na afloop van de beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt (zoals faillissement) of als er geen acute, financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen enkele bron van inkomsten heeft en hij vanwege zijn slechte gezondheid ook niet in staat is om arbeid te verrichten. Daarnaast beschikt verzoeker niet over financiële reserves. Hij kan hierdoor niet voorzien in zijn levensonderhoud.
4. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verzoeker onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft zijn stellingen op geen enkele manier onderbouwd met objectieve stukken. Hij heeft bijvoorbeeld geen recente bankafschriften of een (schriftelijk) overzicht van zijn lasten overgelegd. Ook anderszins heeft verzoeker geen objectief inzicht verschaft in zijn financiële situatie. De voorzieningenrechter kan daarom niet vaststellen of verzoeker inderdaad in een zeer benarde, acute financiële noodsituatie verkeert die het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op een WIA-uitkering rechtvaardigt.
5. Nu niet is gebleken van een spoedeisend belang, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6. Overigens merkt de voorzieningenrechter op dat er op 31 juli 2025 een uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter waarin de gevraagde voorziening is toegewezen en is bepaald dat het UWV de WIA-uitkering aan verzoeker moet betalen totdat het UWV op het bezwaar van verzoeker heeft beslist. Er is ten tijde van het onderhavige verzoek nog niet op het bezwaar beslist. Dit zou betekenen dat de WIA-uitkering nog aan verzoeker wordt uitbetaald. Als het UWV deze eerdere uitspraak (nog) niet naleeft, moet verzoeker zich tot het UWV wenden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Ziektewet.
2.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
3.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.