ECLI:NL:RBAMS:2025:6503

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
AMS 25/4737
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot schorsing van woning sluiting na explosie en vondst vuurwapen

Op 3 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, de huurder van een woning in Amsterdam, verzocht om schorsing van een besluit van de burgemeester tot sluiting van zijn woning voor de duur van drie maanden. Dit besluit was genomen na een explosie in de woning, waarbij een doorgeladen vuurwapen en drugs werden aangetroffen. De voorzieningenrechter beoordeelde of er een redelijke kans van slagen was voor het bezwaar van verzoeker tegen de sluiting. In haar overwegingen concludeerde de voorzieningenrechter dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, en dat de sluiting noodzakelijk was om de openbare orde te herstellen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat de belangen van de openbare orde zwaarder wogen dan die van verzoeker. De voorzieningenrechter benadrukte dat de sluiting van de woning een ingrijpende maatregel is, maar in dit geval gerechtvaardigd was gezien de ernst van de situatie. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4737

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C. Karlas),
en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M.I. Houben en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Verweerder heeft de woning mogen sluiten en daarbij de belangen van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] voor de duur van drie maanden gesloten
.Verweerder is hier op grond van artikel 174a van de Gemeentewet toe over gegaan na een explosie bij de woning en het aantreffen van een doorgeladen vuurwapen en een handelshoeveelheid drugs in de woning.
2.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot primair schorsing van de sluiting en subsidiair tot het toestaan van tijdelijke toegang om spullen uit woning te halen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
2.4.
Op de zitting van 25 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. De stukken die verzoeker nadien heeft ingediend – afgezien van het verzoek om vrijstelling griffierecht – kan en zal zij niet betrekken bij de beoordeling van het verzoek.

Vrijstelling griffierecht

3. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. Verzoeker heeft dit verzoek toegelicht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe.

Totstandkoming van het besluit

4.1.
Verzoeker is huurder van de woning aan de [adres] . Zijn zoon verblijft ook in de woning. De woning ligt op de zesde verdieping van een flat.
4.2.
Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat op [datum] 2025 om [tijdstip] uur een explosie bij de woning heeft plaatsgevonden. Door de explosie is een kleine brand ontstaan in de gang en aan de voorkant van de woning die door verzoeker en buren is geblust. Politieambtenaren hebben gezien dat een groot aantal bewoners van de flat zichtbaar geschokt waren. In de enige slaapkamer in de woning is een doorgeladen vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen lag zichtbaar in een kast waarvan het deurtje ontbrak. In dezelfde kast werden 16 roze pillen, vier oranje pillen, bruine kristalachtige brokjes in een doorzichtig zakje en één vals 10 eurobiljet aangetroffen. In de slaapkamer werden ook kapot geknipte plastic zakjes aangetroffen. Het vermoeden bestaat dat hiermee bolletjes worden verkocht. De 16 pillen bleken MDMA te bevatten en betroffen in totaal 8.07 gram. De overige pillen en brokjes worden nog onderzocht. Tijdens het onderzoek in de woning meldde zich bij de woning de zoon van verzoeker. Tijdens zijn fouillering werden twee wikkels en 20 bolletjes aangetroffen, deze bevatten vermoedelijk cocaïne. Volgens buurtbewoners wordt voornamelijk in de nachtelijke uren in de woning geleefd. Er bestaat het vermoeden dat er drugs wordt gedeald. Er heerst een onveilig gevoel. Volgens de politie bestaat er een reëel risico dat er op korte termijn weer een verstoring van de openbare orde zal plaatsvinden gezien de explosie, het wapen en de drugs in de woning, de registratie van de bewoners als vuurwapengevaarlijk alsmede hun antecedenten.
4.3.
Verweerder heeft daarnaast informatie bij het stadsdeel opgevraagd. Het stadsdeel heeft, na het incident, inlichtingen ingewonnen bij omwonenden. Meerdere bewoners hebben tegenover het stadsdeel verklaard dat er altijd veel aanloop is op het adres, vooral 's nachts. Ze zien vaak personen die zich dreigend opstellen tegen buren, de lift kapotmaken en soms met enge honden door het gebouw naar de woning lopen. Sommige omwonenden liggen elke nacht wakker van het rumoer en door het in-en uitlopen van bezoek.
4.4.
Verweerder heeft op basis van voornoemde informatie aan verzoeker en de pandeigenaar op 6 augustus 2025 het voornemen geuit om de woning te sluiten. Die hebben daarop gereageerd met een zienwijze. Verweerder is vervolgens op 7 augustus 2025 overgegaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5.1.
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit.
5.2.
Een sluiting van een woning betreft een ingrijpende maatregel. Indien en voor zover de burgemeester bevoegd is om op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Gemeentewet tot sluiting over te gaan, moet hij wanneer hij daartoe wil overgaan het concrete geval toetsen aan het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Die toets houdt in dat de burgemeester (i) de noodzakelijkheid en (ii) de evenwichtigheid van de sluiting van de woning moet beoordelen.
5.3.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht.
Bevoegdheid en beleid
6.1.
Verweerder heeft op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Gemeentewet de bevoegdheid een woning te sluiten indien (b) door ernstig geweld, of bedreiging daarmee, in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het lokaal of op het erf of in de onmiddellijke nabijheid van het erf, de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring. Ook bestaat deze bevoegdheid indien (c) door het aantreffen in de woning of het lokaal of op het erf van een wapen als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.
Op grond van het beleid [1] weegt verweerder het openbare orde risico af tegen de belangen van de direct belanghebbenden, zoals de bewoners, gebruikers van het pand en/of pandeigenaar. Bij de beoordeling van het openbare orde risico spelen de volgende aspecten mee:
  • de aanleiding van de openbare orde verstoring;
  • de impact van de openbare orde verstoringen voor de omgeving;
  • de mate van onrust/gevoelens van onveiligheid in de omgeving.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bevoegd is om de woning te sluiten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. De vraag is of verweerder de sluiting noodzakelijk en evenwichtig heeft kunnen achten.
Noodzaak
7.1.
Als verweerder bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een woning te sluiten. Blijkens het beleid is een sluiting van een pand bedoeld om de openbare orde onmiddellijk te herstellen. Hiervoor is een periode van rust nodig. Met een sluiting wordt beoogd de overtreding te beëindigen en het risico op herhaling te verkleinen. De vraag moet worden beantwoord of verweerder met een minder ingrijpend middel dan een sluiting kan volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. [2]
7.2.
Verzoeker voert aan dat er geen noodzaak is om de woning te sluiten. Verzoeker heeft niets met de explosie te maken en hij wist ook niet van het vuurwapen en de drugs. Zijn zoon verbleef ook in de woning en had de slaapkamer tot zijn beschikking. Zijn zoon heeft verklaard dat het wapen van hem was. Zijn zoon zit daar momenteel voor in detentie. Als zijn zoon uit detentie komt zal verzoeker hem de toegang tot de woning weigeren. Daarmee is de risico op herhaling weggenomen en kan worden uitgesloten dat er een nieuwe verstoring van de openbare orde zal ontstaan. Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van 25 juli 2025 van de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland. [3] Verzoeker heeft verder een goede band met zijn buren en herkent hij zich niet in het beeld dat het stadsdeel geeft. Verweerder had kunnen volstaan met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, camera toezicht, extra politie surveillance, voorwaardelijke sluiting of een last onder dwangsom.
7.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit geval op goede gronden heeft beslist dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten voor drie maanden. De explosie, de daarop volgende brand, het aangetroffen doorgeladen vuurwapen en de drugs zijn voldoende om een dergelijke maatregel in te zetten om de openbare orde te herstellen. Dat verzoeker hier zelf geen aandeel in zou hebben gehad, maar mogelijk zijn zoon, doet aan de noodzaak van ingrijpen ten aanzien van deze woning niet af. Verzoekers geval verschilt van die in de door hem aangehaalde uitspraak. In die zaak was sprake van een wapenvondst. In het onderhavige geval is niet alleen sprake van een vuurwapen, maar ook van harddrugs en een explosie. Er is dus sprake van geweld van buitenaf. Bij een woningsluiting wordt de woning zichtbaar gesloten. Daarmee wordt een signaal richting buitenwereld gegeven. Door een zichtbare sluiting voor een periode van drie maanden kan de openbare orde herstellen en de rust terugkeren in de buurt. In die periode kan ook de onrust en gevoelens van onveiligheid bij de bewoners afnemen. Verweerder heeft kunnen menen dat de door verzoeker geopperde minder verstrekkende maatregelen daartoe niet voldoende zijn gelet op de haar bekende informatie.
Evenwichtig
8.1.
Als verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, zoals in dit geval, komt de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als verweerder daarin haar eigen beleid volgt. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [4]
8.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de sluiting niet evenwichtig is. Hij heeft, zoals gezegd, niets te maken met de explosie. Zijn zoon heeft verklaard dat het vuurwapen van hem was. Dit wapen en de drugs zijn ook gevonden in de slaapkamer die zijn zoon tot zijn beschikking had. Verzoeker en zijn zoon leefden gescheiden. Verzoeker is daarom geen verwijt te maken. Verder zijn de gevolgen voor verzoeker groot. Het is voor verzoeker niet eenvoudig vervangende woonruimte te vinden en hij bevindt zich in een kwetsbare positie. Hij wordt begeleid door het buurtteam en is bezig met zijn aanvraag voor een uitkering. Bovendien dreigt het gevaar dat het huurcontract van verzoeker door de verhuurder buitengerechtelijk zal worden ontbonden.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat – ondanks hetgeen is aangevoerd door verzoeker – de sluiting van de woning en de duur daarvan niet onevenwichtig zijn. Van belang bij het beoordelen van de evenwichtigheid is de verwijtbaarheid van verzoeker. Uit vaste rechtspraak volgt dat van een bewoner van de woning verwacht worden dat hij bekend is met het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning en de daarin aanwezige goederen. [5] De voorzieningenrechter is van oordeel dat van verzoeker, zeker als hoofdbewoner, dus kan worden verwacht dat hij enig zicht houdt op wat in de woning en dus ook de slaapkamer plaatsvindt. Relevant daarbij is dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat het vuurwapen en de harddrugs in een kast lagen zonder deurtje. Deze lagen dus niet verstopt, maar in het zicht. Daarom volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn stelling dat hem niets te verwijten valt. Dat de sluiting tot gevolg heeft dat verzoeker nu op verschillende adressen moet verblijven is onvoldoende om te spreken van een onevenwichtige sluiting. De sluiting hoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg te staan aan het aanvragen en verkrijgen van een bijstandsuitkering. Bij een eventuele buitengerechtelijk ontbinding van de huurovereenkomst zal hoor en wederhoor worden toegepast. Verzoeker zal dan zijn visie op de zaak kunnen delen met de verhuurder. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder de sluiting evenredig heeft kunnen achten. Zij heeft het algemeen belang dat is gediend met het herstel van de openbare orde mede gelet op de ernst van de situatie ter plaatse, zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

9.1.
De slotsom is dat verweerder gelet op al het voorgaande in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van
7 augustus 2025 op dit moment niet wordt opgeschort.
9.2.
Op de zitting is gebleken dat verweerder niet eerder op de hoogte was van het (subsidiaire) verzoek om de woning tijdelijk te mogen betreden. Verweerder heeft toegezegd dat dit verzoek alsnog in behandeling zal worden genomen en dat er doorgaans de mogelijkheid wordt geboden om de woning tijdelijk te betreden om zaken, zoals in dit geval kleding en een fietssleutel, uit de woning te halen. De voorzieningenrechter ziet daarom op dit moment geen aanleiding om zich nog over dat verzoek uit te laten.
9.3.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
3.ECLI:NL:RBNNE:2025:3013. In die zaak bestond ver volgens de burgemeester geen noodzaak tot sluiting meer vanwege de detentie van de persoon bij wie het wapen was aangetroffen.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912