Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:5748

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
24/6682
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 Apv 2008Art. 1 AlcoholwetArt. 25, tweede lid AlcoholwetArt. 125 GemeentewetArt. 3.8 Apv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige exploitatie horecabedrijf zonder vergunning met alcoholverstrekking

De burgemeester van Amsterdam legde aan eiser een last onder bestuursdwang op om het gebruik van het bedrijf als horecabedrijf te staken en alle alcoholhoudende drank en etenswaren, behalve voor eigen gebruik, te verwijderen. Dit volgde op meerdere controles waarbij aanzienlijke hoeveelheden alcohol en consumptie ter plaatse werden geconstateerd.

Eiser voerde aan dat de alcoholvoorraden voornamelijk voor eigen gebruik waren en afkomstig van een vereniging, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelde dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden alcohol, geldpotjes en het feit dat er werd gegeten en gedronken, duiden op een horecabedrijf dat alcohol tegen vergoeding verstrekt.

De rechtbank stelde vast dat eiser zonder vergunning een horecabedrijf exploiteerde, wat een overtreding is. De last onder bestuursdwang en de sluiting van het bedrijf waren daarom rechtmatig. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder bestuursdwang wordt ongegrond verklaard en de sluiting van het horecabedrijf zonder vergunning blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6682

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser] handelend onder de naam [bedrijf], uit Amsterdam, eiser

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder, hierna: de burgemeester

(gemachtigde: [gemachtigde] en mr. F. Sabet).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de burgemeester eiser een last onder bestuursdwang heeft mogen opleggen om het gebruik van het [bedrijf] aan het [adres] Amsterdam (hierna: [bedrijf]) als horecabedrijf te staken en gestaakt te houden en alle alcoholhoudende drank en etenswaren, behalve voor zover bestemd voor eigen gebruik, uit de ruimten van het [bedrijf] te verwijderen en verwijderd te houden. [1]

Procesverloop

1.1.
Op 19 september 2023 hebben toezichthouders, tussen 15:46 en 18:12 uur, een controle uitgevoerd op het [bedrijf]. Tijdens deze controle zijn onder andere zeventig flessen alcoholhoudende drank, illegale geneesmiddelen en geldmachines aangetroffen.
1.2.
Op 2 december 2023 heeft de politie, om 21:39 uur, een controle op het [bedrijf] uitgevoerd. Uit het politierapport blijkt dat er die dag ongeveer acht mannen stonden te drinken en roken voor het [bedrijf]. Daarnaast zijn in het [bedrijf] ongeveer acht tot tien personen aangetroffen die aan het eten en drinken waren.
1.3.
Op 29 december 2023 is aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder bestuursdwang op te leggen.
1.4.
Met het besluit van 12 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de burgemeester aan eiser de last onder bestuursdwang opgelegd.
1.5.
Op 17 februari 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.6.
Op 27 februari 2024 heeft de politie omstreeks 21:00 uur een tweede controle op het [bedrijf] uitgevoerd. Bij die controle zijn negen personen inclusief de eigenaar aangetroffen die aan het eten en drinken waren. Ook werd er alcohol geschonken en gedronken.
1.7.
Op 4 maart 2024 heeft de burgemeester het [bedrijf] gesloten tot 19 maart 2024. Op 19 maart 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de burgemeester. Daarna heeft de burgemeester toestemming gegeven om het [bedrijf] weer te openen.
1.8.
Met het bestreden besluit van 18 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het primaire besluit gebleven.
1.9.
Op 14 november 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de burgemeester deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.

Toetsingskader

2.1.
Om een horecabedrijf te exploiteren is een vergunning van de burgemeester nodig. [2] Eiser heeft geen vergunning.
2.2.
In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van een horecabedrijf. Daarbij draait het met name om de vraag of het schenken van alcohol onder commerciële omstandigheden (tegen betaling) heeft plaatsgevonden.
2.3.
Op grond van artikel 3.1. eerste lid, sub a en tweede lid, sub f, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt onder een horecabedrijf verstaan: “de voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of eetwaren voor directe consumptie worden bereid of verstrekt; tot een horecabedrijf worden ook gerekend een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.”
2.4.
Op grond van artikel 1 van Pro de Alcoholwet wordt onder een horecabedrijf verstaan: “de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om
niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.”

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat er tijdens de controles op het [bedrijf] alcohol aanwezig was, en dat tijdens de controles van 2 december 2023 en 27 februari 2024 tevens alcohol werd geschonken en gedronken.
3.2.
Volgens eiser zou de voorraad alcohol die op 19 september 2023 is aangetroffen, grotendeels in eigendom zijn van een vereniging, waarvan hij lid is. De voorraad was overgebleven van een feest en was tijdelijk opgeslagen in het [bedrijf]. Deze voorraad is na die controle weggehaald en bij andere leden van de vereniging ondergebracht. De bij de controles van 2 december 2023 en 27 februari 2024 aangetroffen alcohol waren flessen die waren meegenomen voor eigen gebruik. Ook waren er flessen die eiser van klanten cadeau heeft gekregen. Daarnaast kwamen er weleens vrienden en kennissen na sluitingstijd op bezoek. Die kregen wel een drankje (kruidenextract). Vanwege de gebrekkige veiligheid van de omgeving stelde eiser het bezoek van vrienden en kennissen op prijs.
3.3.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit de rapportages van de toezichthouder en de politie volgt dat de aanwezige personen op het [bedrijf] aan het eten en drinken waren, en dat er alcohol werd geschonken en gedronken. Ook volgt uit die rapportages dat op diverse locaties binnen de bedrijfsruimte alcohol, waaronder sterke drank, is aangetroffen en dat de deur openstond. Gelet op de constateringen van de toezichthouders en de politie, evenals de hoeveelheid aangetroffen alcohol, is de rechtbank met de burgemeester van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat in het [bedrijf] eten en drinken werd aangeboden. Dit blijkt uit de feitelijke aard en omstandigheden, lees: de grote voorraad van 140 alcoholflessen. Een voorraad van deze grootte wijst niet uitsluitend op eigen gebruik. Ook kan de rechtbank zich vinden in het standpunt van de burgemeester dat het zeer aannemelijk is dat de alcohol tegen vergoeding werd geschonken. Uit de rapportage van
19 september 2023 volgt dat er ter plaatste (meerdere) geldpotjes naast flessen met alcohol werden aangetroffen. Ook is er een geldpotje in de wc aangetroffen. De stelling van eiser dat geldpotjes bedoeld waren voor wc-gebruik op marktdagen overtuigt daarom niet. Het college heeft daarom mogen concluderen dat de geldpotjes (behoudens die in de wc) het aannemelijk maken dat het de bedoeling was dat er voor de drank zou worden betaald. Eisers argument dat de flessen drank voor eigen gebruik waren heeft hij niet onderbouwd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat de grote voorraad alcohol die is aangetroffen niet hem, maar de vereniging toebehoorde. Hij was ook niet op zitting om zijn standpunten wat betreft de vereniging nader toe te lichten. Daarbij heeft eiser zelf verklaard dat de aanwezige personen in het [bedrijf] hem veiligheid bieden tegen overvallers. De burgemeester heeft deze bescherming kunnen kwalificeren als een vorm van vergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester terecht tot de slotsom is gekomen dat sprake is van een horecabedrijf. Eisers aangevoerde redenen zijn voor de rechtbank geen aanleiding om aan het standpunt van de burgemeester te twijfelen.
3.4.
Dit betekent dat eiser een horecabedrijf exploiteerde zonder vergunning. Het exploiteren van een horecabedrijf zonder vergunning is een overtreding. Daardoor was de burgemeester bevoegd om handhavend op te treden. Ook de feitelijke sluiting van het [bedrijf] acht de rechtbank rechtmatig. Eiser had moeten beseffen dat de aanwezigheid van een grote hoeveelheid alcohol het schenken van alcohol aan personen binnen en buiten zijn [bedrijf] niet behoren tot de reguliere activiteiten van een [bedrijf]. Het is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is geweest van onevenredige handhaving.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening (Apv) en artikel 25, tweede lid van de Alcoholwet en artikel 125 van Pro de Gemeentewet.
2.Artikel 3.8 van de Apv.