De rechtbank Amsterdam heeft op 25 juli 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 44-jarige man die werd verdacht van medeplegen van de invoer en het opzettelijk aanwezig hebben van 341 kilogram heroïne. Het onderzoek vond plaats na meerdere zittingen, waarbij de verdediging verweren voerde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en bewijsuitsluiting van afgeluisterde gesprekken, welke door de rechtbank zijn verworpen.
De feiten betreffen de gecontroleerde aflevering van heroïne in een container met jurken die in de Rotterdamse haven werd aangetroffen. Na inbeslagname van 341 kilogram heroïne werd een kleine hoeveelheid teruggeplaatst om het transport verder te laten verlopen. Verdachte was aanwezig bij het lossen van de vrachtwagen en betrokken bij de organisatie van het transport. Uit communicatie op zijn telefoon en observaties bleek zijn betrokkenheid en wetenschap van de heroïne.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met anderen de (verlengde) invoer van heroïne medepleegde en dat hij wetenschap had van de aanwezigheid en beschikking over de heroïne. De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de grote hoeveelheid drugs, en het ontbreken van een coördinerende rol, maar wel betrokkenheid bij de organisatie. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 maanden, met aftrek van voorarrest. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden.