Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[gedaagde 2 in hoofdzaak],
[gedaagde 3 in hoofdzaak],
[eiser 2],
[eiser 3],
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
[gedaagde 4],
[gedaagde 6],
1.De procedure
- de dagvaarding van 10 juli 2024, met producties;
- de conclusie van antwoord van Hannibal;
- het afgewezen verzoek om splitsing van 2 oktober 2024;
- het tussenvonnis van 18 december 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte houdende vermeerdering van eis tevens overlegging nadere producties van de Stichting van 8 januari 2025;
- het verzoek om vrijwaring van Aver c.s. en de referte aan de kant van de Stichting;
- het tussenvonnis van 5 februari 2025 waarin het vrijwaringsverzoek is toegewezen;
- de conclusie van antwoord van Aver c.s. van 26 maart 2024, met producties;
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 mei 2025 en de daarin genoemde stukken.
- de dagvaarding van 18 februari 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord van 9 april 2025, met producties;
- het tussenvonnis van 23 april 2025, waarin een mondelinge behandeling (gelijktijdig met de hoofdzaak) is bepaald;
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 mei 2025 en de daarin genoemde stukken.
2.De zaak in het kort
start-upElements Netherlands B.V. (hierna: Elements). Zij hebben tezamen € 4.420.000 aan obligatieleningen verstrekt aan Elements en zijn, net als de overige obligatiehouders die in Elements hebben belegd, hun inleg kwijt doordat Elements inmiddels failliet is verklaard. Volgens de Stichting zijn de bestuurders van Elements en het bedrijf dat Elements had ingeschakeld om de obligatie-uitgifte te begeleiden, Hannibal, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van de gedupeerde beleggers.
3.De feiten
start-upwas en haar concept nieuw en relatief onbekend, eisten leveranciers van bouwmaterialen vooruitbetaling en lukte het Elements niet om een afbouwverzekering te verkrijgen. Dit laatste maakte het voor haar lastig om krediet te verkrijgen, omdat kredietverstrekkers een dergelijke verzekering als voorwaarde stelden. Ook bemoeilijkte dit Elements om kopers te vinden. Kopers zouden immers bereid moeten zijn voor de bouw van een woning te betalen, zonder de garantie dat de woning ook daadwerkelijk zou worden gebouwd. Eén en ander leidde ertoe dat Elements alles (grotendeels) moest voorfinancieren. De kredietfaciliteit van € 750.000, waarover Elements bij ABN AMRO Bank N.V. beschikte, was in dat kader niet toereikend. [gedaagde 2 in hoofdzaak] heeft daarom, via Aver, steeds onderhandse leningen aan Elements verstrekt. Uiteindelijk heeft Aver (inclusief een afgegeven garantie) in totaal meer dan € 3.000.000 aan Elements geleend.
4.Risicofactoren
5.Doelstellingen en investeringsbeleid
6.Wat doet Elements Netherlands B.V.?
7.Financiering- en Investeringsstructuur
(..)
8.Kosten en vergoedingen
10.Stichting Administratiekantoor Elements Netherlands
15.Verklaringen Directie
cashflow. Een dergelijke garantie werd namelijk nog altijd geëist door opdrachtgevers, waaronder Dura Vermeer, en zou ertoe leiden dat betalingen van klanten eerder zouden worden ontvangen, omdat oplevering (of compensatie bij het uitblijven daarvan) richting de klant zou zijn gegarandeerd. De overstap naar Bouwgarant bracht verder met zich dat Elements een bankgarantie van € 400.000 moest organiseren en dat Elements bijna al haar kosten moest voorfinancieren. Die (bouw)kosten namen verder toe door de inval van Rusland in Oekraïne. Door het inschakelen van een nieuwe onderaannemer en de gestegen bouwkosten werd de marge op de te bouwen woningen kleiner dan eerder begroot. Tot slot besloot Dura Vermeer de bouw van de veertien door Elements te bouwen woningen (Tudorpark) uit te stellen, waardoor de omzet in 2022 nog meer achter bleef.
- 13 woningen, van de 15 woningen gebouwd door Elements in de periode 2019-2021, moeten worden voorzien van eennieuw energiesysteem.
- Dit betreft voor ieder huis een nieuwe warmtepomp en bufferzak.
- Werkzaamheden bedragen per huis één week aan arbeid door twee professionals.
- In februari worden de warmtepompen geleverd. Hierna worden de woningen als voltooid beschouwd, waarna het laatste gedeelte van de omzet (5% -10%) vrijkomt bij denotarisen hetbouwdepot.
- Het project op hetTudorParkbetreft de ontwikkeling en de realisatie van 14 duurzame en circulaire woningen in samenwerking metDura VermeerBouw Midden West.
- De huizen worden in 3 fases gebouwd, de oplevering van de laatste fase staat gepland voor november 2023.
- Dura Vermeer staat garant voor de verkoop van de huizen. Daardoor is Elements verzekerd van inkomsten indien een huis niet aan een consument wordt verkocht.
- Elements betaalt 80% van de kosten vooruit. Elements heeft daarnaast de mogelijkheid om eventuele prijsstijgingen tot zekere hoogte door te belasten.
- Door de woningnood in vooral de grote steden wordt er meer en meer gekeken naar “verticale uitbreiding” op bestaande woningen. Dit wordt ook wel optopping genoemd.
- Het project in Bos en Lommer betreft een optopping, waarbij 47 nieuwe appartementen worden gerealiseerd.
- De opdrachtgever is de eigenaar van het pand en het beheer ligt bij Keij Stefels. Realisatie zal plaatsvinden vanaf November 2023 tot en eind 2024,
- De omgevingsvergunning is verleend en het project bevindt zich momenteel in de bezwaarperiode van 6 weken.
- Inflatie is niet afgedekt. Om de kosten van inflatie te kunnen dekken verwacht Elements voldoende marge te kunnen maken op de post meerwerk.
- Het Meander project betreft een optopping in Amsterdam met als opdrachtgever de VVE.
- Elements zit in het bouwteam. Gemeente is akkoord.
- In het bouwteam vinden nog discussies over de prijs plaats, op basis van ontwerp door een externe architect.
- Het project zal bestaan uit de realisatie van ca. 156 nieuwe appartementen.
- Realisatie zal plaatsvinden in 2024-2025.”
4.Het geschil
in de hoofdzaak
5.De beoordeling
- het aantal woningen dat Elements reeds in portefeuille had voor de periode eind 2021 tot en met 2024 (235 woningen volgens het IM2 en de Brochure);
- de hoogte van de netto-investering uit de opbrengst van de obligaties;
- de rendementsprognoses tot en met 2025.
jaarrekeningis bedoeld om zodanig inzicht te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over het vermogen en het resultaat, en voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, over de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon (artikel 2:362 BW). Een
bestuursverslagbehoort een getrouw beeld te geven van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten van de rechtspersoon (artikel 2:391 BW). In een
vermogensopstellingworden de krachtens de wet of de statuten te reserveren bedragen opgenomen (artikel 2:105 lid 4 BW). Dat de categorie tussentijdse cijfers in artikel 2:249 BW is toegevoegd, leidt de rechtbank tot de conclusie dat bij de aldus bedoelde tussentijdse cijfers aansluiting moet worden gezocht bij financiële gegevens die voor wat hun vorm en inhoud betreft gelijkenis vertonen met een jaarrekening, een bestuursverslag en een vermogensopstelling zoals die bij invoering van het wetsvoorstel begin jaren tachtig in de wet voorkwamen. Cijfers die daarmee een redelijk nauwkeurig inzicht geven in de financiële situatie van de vennootschap. Het moet dus gaan om cijfers waarin een vertaalslag is gemaakt naar de financiële situatie van de vennootschap over een afgesloten periode. De genoemde aantallen woningen kunnen niet als dergelijke cijfers worden aangemerkt. Op basis van de genoemde aantallen woningen kan weliswaar de inschatting worden gemaakt dat er wellicht inkomsten voor de vennootschap zullen volgen, maar een vertaalslag naar wat dat concreet oplevert en betekent voor (het vermogen van) de vennootschap, ontbreekt. De cijfers zijn immers niet afgezet tegen de daarmee gemoeide kosten en op de genoemde aantallen is ook geen berekening losgelaten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een aansprakelijkstelling van Aver c.s. voor de in het IM2 en de Brochure genoemde aantallen woningen in portefeuille niet op artikel 2:249 BW kan worden gebaseerd.
de visievan een bestuur van een vennootschap op het lange(re)termijnperspectief van de organisatie. In het IM2 is dit ook (zie 3.21 onder paragraaf 4. Risicofactoren) expliciet zo benoemd. Er staat daar immers onder ‘Rendementsrisico’: “
De geprognosticeerde rendementscijfers van de Vennootschap zijn gebaseerd op veronderstellingen die in dit Informatiememorandum zijn toegelicht. De veronderstellingen van de Directie zijn gebaseerd op de huidige economische kennis en een inschatting van de markt.” Het strekt te ver om aan een dergelijke bestuurlijke visie, ook indien - naar later blijkt - evident onjuist, de in artikel 2:249 BW beoogde risicoaansprakelijkheid te verbinden. Het voorgaande betekent dat, ook in het geval de prognoses uiteindelijke iedere realiteitszin blijken te missen, zoals de Stichting stelt dat het geval was en Aver c.s. overigens betwist, de rendementsprognoses
nietals tussentijdse cijfers in de zin van artikel 2:249 BW kunnen worden aangemerkt.
€ 1.891,22 aan notariskosten en € 56.514,16 aan werkgeverskosten voor de twee natuurlijk personen, de nieuwe bestuurders [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , die bij Elements in dienst waren getreden. Daarmee gaat het om bijna € 1 miljoen aan kosten. Tot slot is in het overzicht in het IM2 onvermeld gelaten dat de obligatieleningen ook zouden worden gebruikt om ten minste een deel van een door Kolibri verstrekte overbruggingskrediet van € 500.000 af te lossen. Gelet op al het voorgaande waren de kosten vele malen hoger dan aan de gedupeerden is voorgehouden, aldus de Stichting.
€ 500.000, waarop op dat moment reeds € 200.000 was afgelost, een schuld betrof die was aangegaan in het kader van de ontwikkeling van Elements. Het voorgaande betekent dat de Stichting niet kan worden gevolgd in haar stelling dat bij de vermelding van de netto-investering in het IM2 (en de Brochure) ten onrechte geen melding is gemaakt van het restant van het overbruggingskrediet van Kolibri (€ 300.000) en dat de opsomming van de kosten (of het elders niet concreet benoemen van de schuld aan Kolibri) daarom een scheve of misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap heeft gegeven.
alledoor de Stichting opgevoerde kosten (€ 916.575 plus € 80.000 is) € 996.575 hadden behoren te worden vermeld of slechts het bedrag van € 735.000, zoals Aver c.s. voorstaat. Ook als geoordeeld zou worden dat
alledoor de Stichting genoemde kosten hadden moeten worden vermeld, hetgeen betekent dat in het IM2 en de Brochure ten onrechte een bedrag van (€ 996.575 min € 505.400 is) € 491.175 onvermeld is gebleven, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat daarmee (welbewust) een scheve voorstelling van de toestand van Elements is gegeven. Op een beoogde opbrengst van € 4.900.000 aan obligatieleningen bedoeld voor het verder brengen naar de
scale-upfase, is een onbenoemd gebleven kostenpost van € 491.175 niet dusdanig significant dat dit een derde een
wezenlijkander beeld van de toestand van de vennootschap zou hebben geven; een onbenoemd gebleven kostenpost van € 229.600 (als wordt aangesloten bij het standpunt van Aver c.s.) al helemaal niet. Het IM2 en de Brochure zijn op dit punt weliswaar onvolledig en het daarin vermelde kostenbedrag is onjuist, maar die cijfers, voor zover aan te merken als tussentijdse cijfers, waren daarmee nog niet misleidend in de zin van artikel 2:249 BW.
founder’ was van Elements en dat hij Elements heeft opgericht met als doel het bouwen van modulaire duurzame woningen. Uit het Crescera-IM rapport is echter gebleken dat Elements is opgericht met het doel om een eigen innovatief energiesysteem, zoals ontwikkeld door [naam 1] , op de markt te brengen. Dit bleek niet succesvol, waardoor naderhand is bedacht om de woningen om de energiesystemen heen te bouwen. De bedenker van de Elements-woning was ook [naam 1] en niet [gedaagde 2 in hoofdzaak] . Dit is niet vermeld in het IM2 en de Brochure; net zo min als het plotselinge vertrek van [naam 1] bij Elements in 2020. Verder was, anders dan het IM2 en de Brochure vermelden, geen sprake van een loyaal en betrokken team van medewerkers. In februari 2021 waren acht personen officieel bij Elements werkzaam. Geleken is dat één persoon daarvan nooit bij Elements heeft gewerkt en dat vijf zijn vertrokken vóór of in oktober 2021. Het personeelsverloop bij Elements was dus hoog en van een loyaal en betrokken team van medewerkers was geen sprake. Er waren met name ZZP-ers actief, zodat de personeelsbudgetten ook fors werden overschreden. Van dit laatste is geen mededeling gedaan. Voornoemde onjuistheid dan wel onvolledigheid is van voldoende gewicht om het economische gedrag van de maatmanbelegger te kunnen beïnvloeden. Het is een feit van algemene bekendheid dat een hoog personeelsverloop tot veel onrust leidt bij een organisatie en dat dit niet ten goede komt aan de organisatie, aldus steeds de Stichting.
alleObligatiehouders consumentbeleggers waren, omdat, ook als daarvan wordt uitgegaan, geen sprake is geweest van verstrekte misleidende informatie in de zin van de beide genoemde artikelen. In dit kader wordt het volgende overwogen.
scale-upging. In het IM2 was duidelijk uiteengezet dat de vennootschap, die pas drie jaar bestond en tot op heden verlieslijdend was, wilde doorgroeien, ‘de
start-upfase achter zich wilde laten’ en ‘wilde professionaliseren en opschalen om renderend te gaan bouwen’. Het IM2 vermeldt dat de
start-upfase ‘het moeilijkst’ was en deze ‘door de vennootschap zelf is gefinancierd’, dat er ‘voor de uitdagingen die er nu lagen extra kapitaal nodig was’, dat ‘de woning als product verschillende ontwikkelingsstadia achter de rug had’ en dat de vennootschap nu ‘klaar was om in grotere getallen te gaan bouwen’. Het voorwoord vermeldt dat in het IM2 de plannen en beweegredenen voor de komende jaren staan. Op basis van het IM2 en de Brochure als geheel moet het voor de hiervoor beschreven maatmanbelegger helder zijn geweest dat de toekomst van deze
scale-up, waarvan duidelijk was dat het haar tot op heden niet was gelukt ‘gewone’ financiering te verkrijgen, niet in beton was gegoten en dat de grote slag nog moest worden gemaakt.
scale-upvan [gedaagde 2 in hoofdzaak] , een bekende naam in de bouwwereld, die zich richtte op duurzame, energie neutrale woningen, waarmee niet alleen geïnvesteerd zou worden in innovaties op het vlak van duurzaamheid/klimaatverbetering, maar ook in de woningmarkt. Aangenomen mag worden dat er van het concept als geheel een aanzienlijke aantrekkingskracht is uitgegaan voor de maatmanbelegger.
start-upfase moeizaam is verlopen, dat de woning als product verschillende ontwikkelstadia achter de rug had, dat met een flinke kapitaalstorting uit begin 2021 aanpassingen zijn doorgevoerd aan de ontwikkeling van de woning zelf en aan het productieproces en dat de noodzaak tot ontwikkelen en innoveren zou blijven. De aanpassingen die in de fabriekshal en de woningen zijn doorgevoerd, zijn concreet beschreven. Hiermee is voldoende benoemd en belicht dat er bij het ontwikkelen van de woningen problemen zijn geweest en dat ermee rekening werd gehouden dat die ontwikkeling nog niet was afgerond. De op dit punt verschafte informatie in het Crescera-IM wijkt ook niet wezenlijk af van die in het IM2 en de Brochure. Dat in het IM2 en de Brochure niet alle problemen
en detailzijn uitgewerkt en de korte productiestop in 2021 onbenoemd is gebleven, maakt die documenten daarmee wellicht minder volledig, maar nog niet misleidend.
alledoor de Stichting genoemde kosten hadden moeten worden vermeld en aldus € 491.175 ten onrechte onvermeld is gebleven, acht de rechtbank niet aannemelijk dat die informatie, in de gegeven context van een klimaat- en woningmarkt verbeterende
scale-upvan [gedaagde 2 in hoofdzaak] , waarin € 4,9 miljoen zou worden geïnvesteerd, van materieel belang zou zijn geweest voor de beleggingsbeslissing van de maatmanbelegger. Die maatmanbelegger zou immers mede (en mogelijk met name) zijn gedreven door de hiervoor (en in 5.7.6 uitgebreider) beschreven factoren. Als wordt uitgegaan van een onbenoemd gebleven kostenpost van € 229.600, zoals Aver c.s. voorstaat, al helemaal niet. Er is daarmee geen sprake van misleiding, omdat niet aan de materialiteitseis is voldaan.
start-updie wilde opschalen naar een
scale-up,wat voor een belegger per definitie onzekerheid met zich brengt. Ook is van belang dat uit het IM2 (zie 3.21 in paragraaf 4. Risicofactoren, onder ‘Rendementsrisico’) genoegzaam blijkt dat de rendementsprognoses waren gebaseerd op
veronderstellingenvan het bestuur van de vennootschap; een bestuur dat dacht dat haar vennootschap klaar was voor de volgende stap. Los daarvan geldt dat de prognoses, zoals die destijds door Aver c.s. zijn vastgesteld, ook niet als ‘volledig losgezongen van de werkelijkheid’ kunnen worden aangemerkt. Aver c.s. heeft toegelicht dat zij haar prognoses had gebaseerd op de op dat moment bekende kosten en te verwachten - conservatief ingeschatte - omzet in de daarop volgende jaren. Hoewel Elements, behalve met Dura Vermeer, dus nog niet over daadwerkelijk gesloten contracten beschikte, heeft zij wel voldoende onderbouwd dat zij vergevorderde onderhandelingen over diverse andere woningen voerde (zie ook 5.7.9) en heeft zij toegelicht dat zij daarnaast de verwachting had dat zij meer opdrachten zou kunnen binnenhalen. Ook heeft Aver c.s. toegelicht dat Elements ten tijde van de obligatie-uitgifte nog de verwachting had dat met verdere innovaties in het bouwproces de kosten zouden kunnen worden verlaagd. Niet is gebleken dat de verwachte toekomstige kostenreductie
op dat momentongerechtvaardigd was. De latere ontwikkelingen, zoals die uit het Crescera-IM blijken, maken niet dat die eerdere inschatting destijds onjuist was.
call center(deels vanuit Elements zelf) heeft gefungeerd. Dit betoog overtuigt niet maar kan verder onbesproken blijven. Op de conclusie dat het IM2 en de Brochure niet als misleidend (in de zin van artikel 6:193b en 6:194 BW) kunnen worden aangemerkt, stuiten namelijk ook alle vorderingen van de Stichting jegens Hannibal af. Van een oneerlijke handelspraktijk was immers vanwege genoemde vaststelling geen sprake. Ook de stelling dat Hannibal zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk omdat zij in haar telefoongesprekken en e-mailberichten de Obligatiehouders onvolledig dan wel onjuist zou hebben geïnformeerd over de kwesties die onjuist dan wel onvolledig in het IM2 en de Brochure stonden, leidt niet tot toewijzing van de vordering. Deze stelling is immers terug te voeren op het IM2 en de Brochure die niet als misleidend zijn aangemerkt. De overige grondslagen (schending zorgplicht en in strijd handelen met de Wft) stranden eveneens op het onderliggende punt dat van misleidende documentatie geen sprake is geweest.