ECLI:NL:RBAMS:2025:5548

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
11574417
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 53 Verordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot betaling te veel uitgekeerd loon en proceskostencompensatie

Logistic Force Service Center B.V. vorderde betaling van een bedrag dat zij te veel had uitgekeerd aan haar voormalige werknemer, een vrachtwagenchauffeur, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. De gedaagde had het volledige bedrag van de hoofdsom inmiddels voldaan, maar was niet akkoord met de bijkomende kosten vanwege persoonlijke omstandigheden zoals ziekte en werkverlies.

De rechtbank stelde vast dat de buitengerechtelijke incassokosten niet verschuldigd waren omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke vereisten, met name het ontbreken van een correcte betalingstermijn. De reeds betaalde rente was voldoende om de wettelijke rente te dekken. Logistic Force had de procedure terecht gestart omdat de betaling niet tijdig was, maar de proceskosten werden gecompenseerd vanwege de omstandigheden.

De kantonrechter oordeelde dat de vordering van Logistic Force wordt afgewezen en dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. De gevraagde verstrekking van een certificaat werd eveneens afgewezen omdat Logistic Force geen belang meer had bij verdere betaling.

Uitkomst: De vordering tot betaling van bijkomende kosten wordt afgewezen en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11574417 \ CV EXPL 25-3804
Vonnis van 15 juli 2025
in de zaak van
LOGISTIC FORCE SERVICE CENTER B.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Logistic Force,
gemachtigde: mr. A.C.T. Paijmans,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 februari 2025, met producties;
- het antwoord van [gedaagde] bij e-mails van 11 en 21 maart 2025, met producties;
- de akte van Logistic Force van 25 maart 2025, met eisvermindering;
- het instructievonnis van 8 april 2025;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2025. Namens Logistic Force is [naam] (financieel medewerker) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Logistic Force nadere producties in het geding gebracht.
1.3.
In eerste instantie is de mondelinge behandeling aangevangen zonder [gedaagde] , omdat hij na uitroeping van de zaak niet verscheen. Na sluiting van de zitting is [gedaagde] echter toch verschenen. Desgevraagd verklaarde hij dat hij al eerder aanwezig was, maar door een fout niet op de juiste plek in het gerechtsgebouw terecht was gekomen. Logistic Force was op dat moment echter al vertrokken. De kantonrechter heeft daarop telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van Logistic Force. Met diens instemming is de zitting vervolgens voortgezet, met telefonische aanwezigheid van Logistic Force. Partijen hebben hun standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft als vrachtwagenchauffeur in loondienst werkzaamheden voor Logistic Force verricht. Op enig moment is gebleken dat Logistic Force per abuis een bedrag van € 610,60 te veel heeft betaald aan [gedaagde] . Hierover heeft Logistic Force [gedaagde] op 16 oktober 2023 aangeschreven, waarbij Logistic Force [gedaagde] verzocht het bedrag terug te betalen.
2.2.
Op 2 december 2024 heeft Logistic Force [gedaagde] per brief en per e-mail aangeschreven het openstaande bedrag terug te betalen, voor zover relevant:

(…) Middels deze brief krijgt u nogmaals de mogelijkheid om binnen 14 dagen na heden de opeenstaande vordering binnen 14 dagen zonder extra bijkomende kosten te voldoen (zogenoemde verlengde betaaltermijn). (…)
2.3.
Op 23 december 2024 heeft Logistic Force [gedaagde] gesommeerd in totaal € 752,63 te betalen, bestaande uit de hoofdsom (€ 610,60), rente tot aan dat moment (€ 50,44) en incassokosten (€ 91,59) (hierna: de sommatiebrief).
2.4.
Op 29 januari 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 150,00 betaald aan Logistic Force. Op 24 februari 2025 heeft Logistic Force de dagvaarding uitgebracht. Daarna heeft [gedaagde] op 7 maart 2025 een bedrag van € 150,00 en op 20 maart 2025 een bedrag van € 452,63 betaald. Dit komt overeen met het totaalbedrag waartoe hij is gesommeerd in de sommatiebrief.

3.Het geschil

3.1.
Logistic Force vordert bij dagvaarding betaling van € 608,87. Dit bedrag bestaat kort gezegd uit de hoofdsom uit de sommatiebrief, vermeerderd met wettelijke rente daarover tot aan dagvaarding, maar minus de reeds betaalde € 150,00. Ook vordert ze de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot algehele voldoening en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Bij eisvermindering van 25 maart 2025 heeft Logistic Force haar eis in zoverre verminderd, dat de in maart 2025 betaalde bedragen van € 150,- en € 452,63 in mindering kunnen worden gebracht.
Logistic Force vordert ten slotte verstrekking van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
3.2.
Logistic Force legt aan haar vordering ten grondslag dat hoewel [gedaagde] inmiddels de volledige hoofdsom heeft betaald, zij deze procedure terecht is begonnen, omdat [gedaagde] in eerste instantie niet betaalde. Hiervoor heeft zij kosten gemaakt en ook is de wettelijke rente gaan lopen.
3.3.
[gedaagde] erkent dat hij het bedrag aan hoofdsom verschuldigd was en heeft dit bedrag dan ook betaald. Omdat [gedaagde] ziek is geworden, waarbij hij zijn zicht aan één oog verloor, zijn werk verloor en ook dakloos raakte, lukte het hem niet om het bedrag direct te betalen. [gedaagde] is het niet eens dat hij bijkomende kosten moet betalen, omdat hij altijd heeft aangegeven te willen betalen zodra hij dit kon.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat [gedaagde] inmiddels in totaal € 752,63 aan Logistic Force heeft betaald. Ter zitting is namens Logistic Force bevestigd dat dit bedrag overeenkomt met het totaalbedrag uit de sommatiebrief.
4.2.
Uit die sommatiebrief volgt dat dit door [gedaagde] betaalde bedrag mede bestaat uit een bedrag van € 91,59 aan buitengerechtelijke incassokosten. Maar zoals ter zitting met Logistic Force is besproken, voldoet de door Logistic Force gestuurde aanmaning niet aan de daarvoor geldende vereisten. In de aanmaning (2.2 hiervoor) is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . Dit is wel vereist. [1] De buitengerechtelijke incassokosten zijn daarom niet verschuldigd. Dat betekent dat [gedaagde] die niet had hoeven te betalen.
4.3.
In de sommatiebrief staat tevens dat het door [gedaagde] betaalde bedrag mede bestaat uit € 50,44 aan tot dat moment vervallen rente. Dat betekent dat [gedaagde] de wettelijke rente tot aan 23 december 2024 heeft betaald.
4.4.
De laatste deelbetaling van [gedaagde] dateert van 20 maart 2025. Dat betekent dat hij ook wettelijke rente in de periode tussen 23 december 2024 en 20 maart 2025 verschuldigd was. Maar zoals hiervoor is geoordeeld, heeft [gedaagde] onverschuldigd € 91,59 betaald. Het (beperkte) bedrag aan verschuldigde wettelijke rente is daarmee (ruimschoots) voldaan. Dit deel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.
4.5.
Omdat [gedaagde] niet tijdig heeft betaald, heeft Logistic Force hem uiteindelijk gedagvaard. Dat is niet ten onrechte geweest, omdat niet in geschil is dat [gedaagde] op het moment van dagvaarden nog niet alles had terugbetaald. Dat hij vóór uitbrengen van de dagvaarding al € 150,- had betaald, maakt dat niet anders. In beginsel moet [gedaagde] daarom de proceskosten van Logistic Force betalen. Hiervóór is geoordeeld dat [gedaagde] achteraf gezien ten onrechte buitengerechtelijke incassokosten heeft betaald. Een (klein) deel daarvan kan worden aangemerkt als betaalde verschuldigde wettelijke rente (zie 4.4). Hetgeen daarna nog als onverschuldigd betaald resteert, wordt aangemerkt als tegemoetkoming in de proceskosten van Logistic Force. Mede gelet op de door [gedaagde] aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de gang van zaken rondom de verschillende deelbetalingen, zal de kantonrechter de proceskosten voor het overige compenseren, in die zin dat iedere partij verder de eigen kosten draagt. Dat betekent dat [gedaagde] niet méér hoeft te betalen dan wat hij reeds heeft gedaan.
4.6.
Omdat [gedaagde] dus niet wordt veroordeeld tot verdere betaling, heeft Logistic Force geen belang bij het door haar verzochte certificaat [2] . De vordering daartoe wordt dus afgewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Logistic Force af,
5.2.
compenseert de proceskosten van partijen in zoverre, dat iedere partij verder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289

Voetnoten

1.Artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
2.Certificaat conform artikel 53 van Pro de Verordening EU Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2021 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken