ECLI:NL:RBAMS:2025:5532

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
13-309092-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon

Op 20 juni 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam in de Internationale rechtshulpkamer een beslissing genomen op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon, geboren in Polen. Het verzoek was ingediend op 3 en 19 juni 2025 en betrof de overleveringsdetentie op basis van de Overleveringswet. Tijdens de behandeling in raadkamer zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadslieden gehoord. De raadsvrouw heeft het verzoek toegelicht, terwijl de officier van justitie zich verzet tegen de inwilliging van het verzoek, stellende dat er groot vluchtgevaar bestaat. De rechtbank heeft het dossier bestudeerd en concludeert dat er geen termen aanwezig zijn om de schorsing van de overleveringsdetentie te bevelen. De rechtbank acht het vluchtgevaar zo reëel dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan een eventuele overlevering onttrekt. Het subsidiaire verzoek van de raadslieden om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) werd eveneens afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de overleveringsprocedure onder artikel 5, eerste lid, sub f van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens valt, en dat de mogelijkheid om de redelijkheid van de verdenking te toetsen niet van toepassing is op overleveringsprocedures. De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Internationale rechtshulpkamer

Parketnummer: 13-309092-24

Beslissing op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie

(artikel 64 Overleveringswet)

De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 3 en 19 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit hoofde van de Overleveringswet (OLW) van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .
Raadslieden mr. R. Malewicz en mr. T. Korff.
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Gelet op de behandeling in raadkamer op 20 juni 2025, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en de raadslieden.
De raadsvrouw heeft het verzoekschrift toegelicht.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het verzoek en heeft daartoe aangevoerd dat uit het Europees Arrestatiebevel en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van groot vluchtgevaar.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank acht geen termen aanwezig de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te bevelen. Zij acht het vluchtgevaar zo reëel dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan een eventueel toelaatbaar geoordeelde overlevering zal onttrekken.
De rechtbank zal het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afwijzen.
Het subsidiaire verzoek van de raadslieden is om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over het volgende. Bij een vervolgings-EAB is de opgeëiste persoon ook verdachte en om die reden menen de raadslieden dat ook getoetst moet worden aan artikel 5, eerste lid, sub c van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De bescherming die daarmee samenhangt staat in het derde lid van hetzelfde artikel en betekent ook dat de redelijkheid van de verdenking getoetst tegen iemand die in detentie zit moet kunnen worden getoetst.
Ook het subsidiaire verzoek om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen wordt afgewezen. De overleveringsprocedure valt onder artikel 5, eerste lid, sub f van het en daarmee onder de bescherming van het vierde lid van hetzelfde artikel. Dit laatstgenoemde lid geeft de mogelijkheid om een voorziening te vragen bij de rechter omtrent de rechtmatigheid van de (overleverings)detentie. Zowel het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) [1] als het EHRM [2] hebben eerder geoordeeld dat het lid dat gaat om de mogelijkheid om de redelijkheid van de verdenking te toetsen niet van toepassing is op overleveringsprocedures.

Beslissing

De rechtbank:
-
Wijst afhet verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon]voornoemd.
Deze beslissing is genomen op 20 juni 2025 door:
mr. E. Biçer, voorzitter,
in tegenwoordigheid van I.M.A. de Vries, griffier.

Voetnoten

1.HvJ EU 28 juni 2021, C-649/19, ECLI:EU:C:2021:75 (
2.EHRM 22 juni 2023 (