Op 20 juni 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam in de Internationale rechtshulpkamer een beslissing genomen op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon, geboren in Polen. Het verzoek was ingediend op 3 en 19 juni 2025 en betrof de overleveringsdetentie op basis van de Overleveringswet. Tijdens de behandeling in raadkamer zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadslieden gehoord. De raadsvrouw heeft het verzoek toegelicht, terwijl de officier van justitie zich verzet tegen de inwilliging van het verzoek, stellende dat er groot vluchtgevaar bestaat. De rechtbank heeft het dossier bestudeerd en concludeert dat er geen termen aanwezig zijn om de schorsing van de overleveringsdetentie te bevelen. De rechtbank acht het vluchtgevaar zo reëel dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan een eventuele overlevering onttrekt. Het subsidiaire verzoek van de raadslieden om de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) werd eveneens afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de overleveringsprocedure onder artikel 5, eerste lid, sub f van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens valt, en dat de mogelijkheid om de redelijkheid van de verdenking te toetsen niet van toepassing is op overleveringsprocedures. De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie af.