Op 23 maart 2025 mishandelde verdachte zijn moeder door haar meerdere keren in het gezicht te slaan, een kopstoot tegen haar hoofd te geven en over haar arm en hand te krabben. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot zware mishandeling, maar de rechtbank sprak hem daarvan vrij omdat niet kon worden vastgesteld dat het letsel ernstig genoeg was.
De rechtbank achtte het subsidiair ten laste gelegde feit van mishandeling wel bewezen en stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn moeder pijn of letsel zou ondervinden. De moeder was terminaal ziek en gebruikte zware medicatie, wat het geweld extra kwalijk maakte. Verdachte had een persoonlijkheidsstoornis en een strafblad met eerdere veroordelingen voor huiselijk geweld, wat meewoog in de strafmaat.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 90 dagen op, met aftrek van het voorarrest. De eis van de officier van justitie van 200 dagen, waarvan een deel voorwaardelijk, werd gematigd vanwege de persoonlijke omstandigheden en het advies uit eerdere rapportages. Verdachte werd strafbaar verklaard voor mishandeling van zijn moeder, waarbij ook de juridische erkenning van pleegmoeders als 'moeder' werd bevestigd.