SODA trad op namens een tankstation en vorderde betaling van €206,85 wegens tanken zonder betalen op 20 februari 2022 door de bestuurder van een auto met het kenteken van gedaagde. SODA stelde dat tussen gedaagde en het tankstation een overeenkomst was gesloten en dat gedaagde aansprakelijk was voor de schade.
Gedaagde betwistte dat zij zelf had getankt en voerde aan dat een ander met haar auto had getankt en een betalingsregeling had aangeboden. De rechtbank oordeelde dat het vermoeden dat de kentekenhouder aansprakelijk is, was weerlegd door foto’s waaruit bleek dat een man, niet gedaagde, had getankt. SODA kon geen aanvullende feiten aanvoeren om het bestaan van een overeenkomst te bewijzen.
Ook het subsidiaire beroep op onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking faalde omdat SODA onvoldoende aannemelijk maakte dat gedaagde onrechtmatig had gehandeld of voordeel had genoten. De vorderingen van SODA werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. De reconventionele vorderingen van gedaagde werden eveneens afgewezen.