ECLI:NL:RBAMS:2025:5002

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
1310242025
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting dagvaarding

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 juni 2025 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in 1986. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 1,5 jaar waarvan nog circa 9,5 maanden resteren.

De verdediging betwistte dat de opgeëiste persoon in persoon was gedagvaard voor het verzamelvonnis waarop het EAB is gebaseerd, en verzocht om nadere informatie over de dagvaarding. De officier van justitie stelde dat de opgeëiste persoon wel degelijk in persoon was gedagvaard en dat de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie, waardoor afzien van weigering van overlevering gerechtvaardigd is. Tevens werd vastgesteld dat de onderliggende procedures in eerste aanleg en hoger beroep aan de vereisten voldoen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn.

Op grond hiervan werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-102420-25
Datum uitspraak: 2 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 februari 2025 door
the Regional Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable judgementvan
the Local Court in Kielcevan 16 december 2019, met referentie: II K 1463/18 (hierna: het verzamelvonnis).
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 mei 2025 volgt dat aan het verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
  • een vonnis van
  • een vonnis van
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en achttien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het verzamelvonnis. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen wie de dagvaarding in ontvangst heeft genomen, omdat de opgeëiste persoon betwist dat hij in persoon is gedagvaard.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het verzamelvonnis op het standpunt gesteld dat van de informatie in het EAB moet worden uitgegaan en dat de weigeringsgrond ex artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Ten aanzien van het onderliggende vonnis 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat van weigering kan worden afgezien, omdat uit de aanvullende informatie van 23 mei 2025 volgt dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en dat de opgeëiste persoon vervolgens is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Voor het arrest in de onderliggende procedure 2 doet de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro zich niet voor, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelvonnis
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid. In onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon op 21 november 2019 in persoon is gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van het proces en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De enkele betwisting hiervan door de opgeëiste persoon is voor de rechtbank geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. De rechtbank verwerpt het verweer.
Ten aanzien van de onderliggende procedure 1
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 23 mei 2025 volgt dat de opgeëiste persoon op 19 oktober 2011 tijdens een verhoor als verdachte in deze zaak een adresinstructie heeft ontvangen. Daarin is hij geïnformeerd over de verplichting om eventuele adreswijzigingen door te geven en de consequenties van het nalaten daarvan. Tijdens datzelfde verhoor heeft de opgeëiste persoon een adres in Polen opgegeven. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de oproepingen voor de zittingen (die plaatsvonden op 25 november 2011 en 13 januari 2012) ook daadwerkelijk naar het desbetreffende adres zijn gestuurd.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de officiële correspondentie. Overlevering impliceert daarom geen schending van de verdedigingsrechten.
Ten aanzien van de onderliggende procedure 2
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank stelt vast dat dit hier het geval is en dat de procedure die heeft geleid tot het arrest van
the Regional Court in Kielcevan 5 oktober 2012 (referentie: IX Ka 1146/12) aan artikel 12 OLW Pro getoetst dient te worden.
Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van
23 mei 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
telkens: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 350 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Kielce, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. M.E.M. James - Pater en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en M.C. Hooibrink, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. (of eerste, derde, vierde en vijfde lid OLW)
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (