De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplichtigheid aan medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een kasopstelling met een bedrag van circa €569.000,-.
Veroordeelde stelde dat het voordeel moest worden vastgesteld op €158.000,-, gebaseerd op zijn verklaringen over ontvangen bedragen voor het gebruik en bewoning van het pand en andere kosten. De rechtbank oordeelde dat de kasopstelling onvoldoende rekening hield met kosten die niet als voordeel kunnen worden gezien, zoals huur en energiekosten, en stelde het voordeel vast op €160.000,-.
Daarnaast werd de redelijke termijn overschreden met circa 5,5 jaar, waarop de rechtbank een korting toepaste van €5.000,- op de betalingsverplichting. De rechtbank legde veroordeelde daarom een betalingsverplichting van €155.000,- op aan de Staat. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en houdt rekening met de verklaringen van veroordeelde en de jurisprudentie omtrent redelijke termijn.