De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Letland voor de overlevering van een opgeëiste persoon. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in Letland onmenselijk of vernederend behandeld zal worden, met name door het kastenstelsel in detentie-instellingen.
De rechtbank verlengde meerdere malen de termijn voor uitspraak en schorste de gevangenhouding. Aanvullende informatie van het Europees Comité ter Preventie van Foltering (CPT) gaf aan dat het kastenstelsel zich beperkt tot mannengevangenissen, maar er was onvoldoende bewijs dat dit niet ook voor vrouwengevangenissen geldt. De raadsman stelde dat het algemene gevaar voor alle gedetineerden geldt, terwijl de officier van justitie betoogde dat het gevaar niet op vrouwengevangenissen van toepassing is.
De rechtbank concludeerde dat de aanvullende informatie onvoldoende is om het reële gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Daarom gaf zij geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB. De geschorste gevangenhouding werd opgeheven en tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.