Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
District Court in Radom(referentie: II K 1725/23) met vier onderliggende vonnissen van de
District Court in Radom: van 4 december 2019 (II K 2094/19), van 10 december 2019 (II K 2730/19), van 3 augustus 2020 (II K 2981/19) en van 6 augustus 2020 (II K 2895/19).
4.Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
6.Artikel 11 OLW Pro
remand prisonsvan personen die worden vervolgd en van wie de voorlopige hechtenis is bevolen. De overlevering van de opgeëiste persoon is door de Poolse autoriteiten verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van aan hem opgelegde gevangenisstraf. Het CPT-rapport van 22 februari 2024 bevat geen gegevens die duiden op een reëel gevaar dat personen - zoals de opgeëiste persoon - die een gevangenisstraf moeten ondergaan, onmenselijk of vernederend worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Evenmin heeft de raadsman met de brief van de Poolse advocaat op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat personen die in Polen zijn gedetineerd ten behoeve van de executie van een aan hen opgelegde straf, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Derhalve is de vraag waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon na overlevering wordt gedetineerd niet relevant.