Verzoekster werd op 8 februari 2025 opgenomen onder een crisismaatregel wegens een acuut verhoogd suïciderisico. Op 9 februari 2025 werd zij ingesloten in een separeercel en vervolgens meerdere nachten op haar kamer, zonder dat dit onderdeel was van de geldige machtiging. De zorgaanbieder Arkin handelde in de veronderstelling dat insluiting was toegestaan, maar vroeg later om een wijziging van de machtiging.
Verzoekster diende een klacht in bij de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken over de onrechtmatige insluiting. De klachtencommissie verklaarde de klacht gegrond, maar wees het schadevergoedingsverzoek af. Verzoekster wendde zich daarop tot de rechtbank met het verzoek om toekenning van een schadevergoeding van €280.
De rechtbank stelde vast dat de insluiting zonder geldige titel had plaatsgevonden en dat verzoekster daardoor schade had geleden. De rechtbank wees een schadevergoeding toe van €145, bestaande uit €50 voor de separeercelinsluiting en €5 per nacht voor de insluiting op de kamer. De vordering tot proceskosten werd afgewezen omdat verzoekster geen kosten had gemaakt en de advocaat was toegevoegd.
De beschikking werd gegeven door rechter C.C.M. Oude Hengel op 16 juni 2025 en schriftelijk vastgesteld op 25 juni 2025. Tegen deze beschikking staat cassatie open.