Verzoekster heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot vergoeding van schade en kosten van rechtsbijstand voortvloeiend uit haar vrijheidsbeneming in het kader van een Europese overleveringsprocedure. Deze procedure was gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten in september 2019.
Verzoekster verbleef van 29 februari 2024 tot 28 november 2024 in detentie in Nederland. Op 28 november 2024 heeft de rechtbank het EAB niet gevolgd en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot overlevering. Verzoekster was op die zitting aanwezig en was daarmee op de hoogte van de beëindiging van de procedure.
De verzoeken tot schadevergoeding en kostenvergoeding werden echter pas op 19 maart 2025 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van drie maanden die geldt vanaf het moment dat de procedure definitief werd beëindigd. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks de door de raadsman aangevoerde omstandigheden zoals het vinden van onderkomen en het onbruikbaar worden van het prepaid telefoonnummer.
Daarom verklaart de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.