Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[gedaagde 2],
3 [gedaagde 3] ,
1.De procedure
aan de zijde van [eiser] :
- mr. Meevis,
- mr. Möhring met haar kantoorgenoot mr. M.M. van Asperen;
- mr. I. van Drongelen, advocaat in dienst van de Staat.
Rechtbank Amsterdam
In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat een lid van de Tweede Kamer wordt verplicht in gesprek te gaan met het management van de drie grootste Nederlandse supermarktketens over een boycot van Israëlische producten. De rechter verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de Staat en een andere gedaagde, verwijzend naar de rechtbank Den Haag.
Ten aanzien van het parlementslid wordt verstek verleend omdat zij niet is verschenen en geen advocaat heeft gesteld. De vordering wordt echter afgewezen omdat eiser geen concrete grondslag voor de vordering heeft aangevoerd, met name geen toepasselijke regel van internationaal humanitair recht. Bovendien wordt benadrukt dat het politieke handelen van het parlementslid valt onder de vrijheid van geweten en meningsuiting, die een ruime bescherming geniet.
De rechter oordeelt dat het afdwingen van politieke actie via de rechter een onrechtmatige inmenging vormt in deze vrijheden. De geëigende weg voor politieke wensen is via verkiezingen, niet via rechterlijke dwang. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van het parlementslid nihil worden begroot.
Uitkomst: De vordering tegen het parlementslid wordt afgewezen wegens gebrek aan grondslag en bescherming van politieke vrijheid.