Eiseres vordert betaling van een factuur van €1.653,19 voor een slaapademhalingsregistratie die gedaagde in 2022 onderging, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. De behandelovereenkomst betreft een geneeskundige overeenkomst die onder het consumentenrecht valt, waarbij het prijsbeding ambtshalve getoetst moet worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG.
Hoewel het prijsbeding niet transparant was omdat voorafgaand aan de behandeling geen concrete informatie over de passantentarieven aan gedaagde is verstrekt, is het beding niet oneerlijk. Eisende partij hanteert namelijk een systeem waarbij de patiënt uiteindelijk nooit meer betaalt dan de vergoeding van de zorgverzekeraar plus het eigen risico. Dit evenwicht verstoort de goede trouw niet aanzienlijk.
Gedaagde heeft echter nagelaten de factuur te betalen en het declaratieoverzicht aan eisende partij te verstrekken, waardoor eisende partij niet kon controleren welk deel niet werd vergoed. Daarom is de volledige factuur toewijsbaar. De buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente worden eveneens toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, rente, kosten en proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de volledige factuur, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10584951 \ CV EXPL 23-9370
Vonnis van 17 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap Nederlands Slaap Instituut B.V.
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] (Camnada & Van Leeuwen gerechtsdeurwaarders)
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Verder verloop van de procedure
Bij tussenvonnis van 2 april 2024 is vanwege de ambtshalve toetsing nadere uitleg verzocht van eisende partij, waarbij de akte ook aan de wederpartij moest worden verzonden.
Op de rolzitting van 30 april 2024 heeft eisende partij een akte, met producties ingediend, waarbij tevens het bewijs dat deze akte aangetekend en via mail aan gedaagde partij is toegezonden.
Vervolgens is de datum voor vonnis bepaald.
Gronden van de beslissing
1. De totale vordering van eisende partij bestaat uit € 1.653,19 aan hoofdsom, € 300,13 aan buitengerechtelijke kosten en € 43,13 aan wettelijke rente berekend tot en met 20 juni 2023. De hoofdsom ziet op een factuur die betrekking heeft op een medische behandeling die gedaagde partij in 2022 bij eisende partij heeft ondergaan. Het betreft een factuur voor een bedrag van € 1.653,19, voor een ‘slaapademhalingsregistratie onderzoek bij een slaapstoornis’. Dit bedrag is conform het door eisende partij opgestelde passantentarief 2022.
2. Eisende partij stelt dat tussen partijen een geneeskundige behandelovereenkomst tot stand is gekomen uit hoofde waarvan gedaagde partij een behandeling van eisende partij heeft ondergaan, die in beginsel onder de basis zorgverzekering valt.
3. De behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een zorgverlener en gedaagde partij als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4. Toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een medische behandelovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van de betreffende afdeling uit het BW. Bij akte heeft eisende partij gesteld dat zij geen algemene voorwaarden hanteert.
5. Wel dient het prijsbeding ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Ingevolge artikel 4 lid 2 vanPro deze richtlijn zijn echter kernbedingen (zoals het prijsbeding) uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid mits deze transparant zijn.
Prijsbeding
Transparantie
6. Eisende partij heeft gemotiveerd en onderbouwd met stukken gesteld dat de kosten voor deze behandelingen altijd door de basiszorgverzekering worden vergoed en de zorgverzekeraars de tarieven vaststellen. Eisende partij hanteert daarom een gemiddelde van de door de zorgverzekeraars vastgestelde tarieven voor haar behandelingen, het zogenaamde passantentarief, (dat op haar website is vermeld), maar neemt, nadat gedaagde partij de kosten heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar, het niet vergoede deel van de behandeling voor haar rekening (uitgezonderd het eigen risico). Bij zorgverzekeraars waarmee eisende partij een contract heeft dient eisende partij haar kosten direct in bij de zorgverzekeraar. Bij de zorgverzekeraars waarmee eisende partij geen contract heeft moet gedaagde partij zelf zorgdragen voor de declaratie van de kosten en betaling van de factuur. Gedaagde partij hoeft eisende partij pas te betalen als de zorgverzekeraar heeft uitgekeerd. Gedaagde partij dient dan het uitgekeerde bedrag (eventueel vermeerderd met eigen risico) aan eisende partij te betalen en het declaratieoverzicht van de zorgverzekeraar aan eisende partij te verstrekken. Kort gezegd dient gedaagde partij nooit meer te betalen dan het met de zorgverzekeraar overeengekomen eigen risico.
7. Dit betalingsproces wordt voorafgaand aan de behandeling besproken met gedaagde partij. Ook tekent gedaagde partij vooraf een toestemmingsverklaring waarin wordt verklaard dat er allerlei informatie is gegeven. Hierin staat onder meer: “Ik ben goed geïnformeerd en op de hoogte van de financiële afwikkeling en declaratie procedure bij de zorgverzekeraar.”
8. Bij het versturen van de factuur wordt de uitleg over het betalingsproces (nogmaals) meegezonden met een duidelijke stappenplan wat gedaagde partij moet doen. Als gedaagde partij niet betaald en/of het declaratieoverzicht niet opstuurt, zal eisende partij blijven proberen uit te leggen hoe het betaalproces werkt.
9. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat eisende partij voorafgaand aan de behandeling echter geen informatie heeft gegeven over de daadwerkelijke prijsvan de behandeling. Weliswaar geeft zij veel informatie over de declaratiewijze en heeft zij de passantentarieven gepubliceerd op haar website, maar gesteld noch gebleken is dat eisende partij vóór de behandeling de passantentarieven met gedaagde partij heeft besproken en dus op de hoogte is van het thans gevorderde bedrag. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde toestemmingsverklaring. Conclusie is dan ook dat het prijsbeding niet transparant is en getoetst moet worden op oneerlijkheid.
(On)eerlijkheid
10. Volgens artikel 3, lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
11. Eisende partij heeft voldoende gesteld dat zij bij niet-gecontracteerde zorg de prijs voor de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de verzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt (door creditering van het meerdere). Voorwaarde daarvoor is wel dat de patiënt zijn factuur indient bij de verzekeraar en de specificatie daarvan aan eisende partij stuurt. In dat geval dient de patiënt alleen de van de verzekeraar ontvangen vergoeding aan eisende partij te voldoen, eventueel nog vermeerderd met het verrekende eigen risico. Onbetwist is gebleven dat zij deze wijze van factureren voorafgaande aan de behandeling met de patiënt bespreekt, duidelijk op haar website heeft vermeld en ook in de behandelovereenkomst heeft vermeld.
12. Nu de patiënt, als hij de van te voren gecommuniceerde instructie ten aanzien van de factuur opvolgt, uiteindelijk alleen de vergoeding van de verzekeraar en het eventueel verrekend eigen risico hoeft te betalen, wordt geoordeeld dat het prijsbeding niet oneerlijk is. Het evenwicht tussen partijen is namelijk door de intransparantie van de uiteindelijke prijs niet in strijd met de goede trouw aanzienlijk verstoord. Zowel bij contractuele als bij niet-contractuele zorg brengt eisende partij bij de patiënt (uiteindelijk) immers alleen de prijs in rekening die door de verzekeraar aan de patiënt wordt vergoed, zodat een verzekerde patiënt zelf ten hoogste het eigen risico moet betalen. Dat bij niet-gecontracteerde zorg het bedrag aan eigen risico, zoals in het onderhavige geval, betaald moet worden aan eisende partij in plaats van aan de zorgverzekeraar, maakt het voorstaande niet anders.
13. Omdat gedaagde partij in dit geval de factuur niet heeft betaald en/of het declaratieoverzicht niet heeft aangeleverd, ook niet nadat eisende partij hier meermaals om heeft gevraagd, is de onderhavige procedure gestart en dient gedaagde partij thans (vooralsnog) de gehele factuur te betalen, omdat eisende partij niet kan onderzoeken hoe groot het niet vergoede deel of eigen risico is. Zodra eisende partij het declaratieoverzicht van gedaagde partij heeft ontvangen, zal eisende partij het niet vergoede deel alsnog in mindering brengen, zodat gedaagde partij zelf enkel het eigen risico betaald (en het vergoede deel natuurlijk dient door te betalen aan eisende partij).
14. De slotsom is dat de hoofdsom als niet onrechtmatig of ongegrond toewijsbaar is.
15. Eisende partij stelt dat zij geen algemene voorwaarden hanteert, waarin een (oneerlijk) rente- en of kostenbeding is opgenomen. De gevorderde wettelijke rente over voornoemde hoofdsom is zodoende eveneens toewijsbaar.
16. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen nu is voldaan aan de vereisten als bedoeld in artikel 6:96 BWPro.
17. Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagde partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
130,48
- griffierecht
€
365,00
- salaris gemachtigde
€
204,00
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
766,98
DE BESLISSING
De kantonrechter
I veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van
€ 1.653,19 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over het toegewezen bedrag met ingang van 21 juni 2023 tot de dag van volledige betaling, alsmede een bedrag van € 300,13 aan buitengerechtelijke kosten en € 43,13 aan wettelijke rente berekend tot en met 20 juni 2023;
II veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 766,98, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
III verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
IV wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.