De zaak betreft een aannemingsovereenkomst gesloten op 17 juli 2022 tussen eiser en een vennootschap onder firma (gedaagde 1) voor de bouw van een extra etage. Eiser betaalde in termijnen, deels aan een tussenpersoon (gedaagde 4) die hielp met communicatie en bankrekeningen beheerde. Na start ontstond lekkage en gebreken, waarna de aannemer de werkzaamheden staakte.
Eiser vordert vergoeding van schade wegens tekortkoming van de aannemer en terugbetaling van teveel betaalde bedragen aan de tussenpersoon, die hij tevens verwijt onrechtmatig te hebben gehandeld. Tegen de aannemer is verstek verleend, waardoor de vorderingen tegen hen als onbetwist worden toegewezen.
De rechtbank oordeelt dat de tussenpersoon niet contractspartij is en geen wanprestatie of onrechtmatige daad heeft gepleegd. Over de terugvordering wegens ongerechtvaardigde verrijking is echter twijfel, omdat een deel van de betaling op haar privérekening is gestort zonder duidelijke rechtvaardiging. De rechtbank wijst een tussenvonnis toe en gelast nadere stukken en reactie alvorens te beslissen.