De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 mei 2025 het verzoek van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, met Poolse nationaliteit, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn raadsman en een tolk.
Eerder, op 16 april 2025, had de rechtbank een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon na overlevering in Polen geconfronteerd zal worden met schending van zijn grondrechten, met name vanwege de detentieomstandigheden. De rechtbank had het onderzoek geschorst en de beslissing aangehouden in afwachting van nadere informatie.
De Poolse autoriteiten verstrekten op 30 april 2025 aanvullende informatie over de detentieomstandigheden, waarin werd aangegeven dat gedetineerden minimaal één uur per dag buiten hun cel kunnen verblijven, maar dat het wettelijk niet gegarandeerd is dat dit twee uur per dag is. De raadsman stelde dat deze informatie geen wijziging in de omstandigheden betekende, terwijl de officier van justitie een nadere behandeling wilde om verduidelijking te verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie niet voldeed om het reële gevaar weg te nemen en dat de redelijke termijn voor beoordeling was verstreken. Daarom gaf de rechtbank geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB. De overleveringsprocedure werd daarmee beëindigd.