ECLI:NL:RBAMS:2025:3561

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
30 mei 2025
Zaaknummer
13.408.589-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel in verband met vrijheidsstraf

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 27 mei 2025 uitspraak gedaan over een vordering van de officier van justitie tot behandeling van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Gliwice, Polen. Het EAB was gericht op de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen was veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaar voor diefstal met geweld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen bij de zittingen in Polen, wat een weigeringsgrond op basis van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) met zich meebracht. Echter, de rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en dat zijn afwezigheid niet als een schending van zijn verdedigingsrechten kon worden beschouwd.

De rechtbank heeft ook beoordeeld of de opgeëiste persoon rechtmatig in Nederland verbleef en of hij gelijkgesteld kon worden met een Nederlander op basis van artikel 6a OLW. De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon aan de voorwaarden voldeed, aangezien hij meer dan vijf jaar ononderbroken in Nederland had verbleven en niet zijn verblijfsrecht zou verliezen door de opgelegde straf.

Uiteindelijk heeft de rechtbank de overlevering geweigerd en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevolen. De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen tot aan de tenuitvoerlegging van de straf. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.408.589-24
Datum uitspraak: 27 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 december 2024 door
the Regional Court in Gliwicein Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
an enforceable judgement of the District Court in Gliwicevan 21 januari 2019 met zaaknummer III K 1188/17.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en 363 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 26 maart 2018 in persoon ter terechtzitting is verschenen. Op die terechtzitting is hem de datum aangezegd voor de volgende zitting, namelijk 28 mei 2018. De opgeëiste persoon is toen echter niet verschenen. Omdat hij heeft nagelaten om de oproepingen voor de overige zittingsdagen in ontvangst te nemen, is de strafprocedure buiten zijn aanwezigheid voortgezet.
Bij de voorgeleiding voor deze rechtbank heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij op de hoogte was van de procedure in Polen. Hij is in 2017 aangehouden en is toen verhoord en heeft twee dagen vastgezeten. De opgeëiste persoon heeft bevestigd dat hij ook op een terechtzitting is geweest. Hierna is hij naar het buitenland vertrokken om daar te werken.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert, omdat hij, door niet te verschijnen op de terechtzitting van 28 mei 2018 terwijl hij op de hoogte was van de beschuldiging, de procedure en deze datum, geacht moet worden uit eigen beweging stilzwijgend afstand te
hebben gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces..
De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de
weg.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Inleiding
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt verdediging en officier van justitie
Door de raadsman is aangevoerd, zakelijk weergegeven en naar de rechtbank begrijpt, dat er nog meer stukken zijn die het gelijkstellingsverweer onderbouwen, maar de opgeëiste persoon pas op 12 mei 2025 een oproeping voor de zitting heeft ontvangen en dat hij deze daarom nog niet heeft overgelegd. De raadsman stelt dat de opgeëiste persoon echter ook op grond van de wel beschikbare informatie met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Hij woont en werkt al meer dan vijf jaren in Nederland en woont hier samen met zijn verloofde.
De officier van justitie heeft erop gewezen dat er jaaropgaves over de jaren 2019 tot en met 2024 zijn verstrekt, maar dat er geen informatie over het verblijf van de opgeëiste persoon is verstrekt. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat hij vijf jaren ononderbroken in Nederland heeft verbleven en de opgeëiste persoon had meer kunnen doen om zijn verblijf in Nederland te onderbouwen met stukken. De officier van justitie refereert zich echter aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang.
In de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken bevinden zich jaaropgaves van het bedrijf [bedrijf] over de jaren 2019 tot en met 2024 waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in het jaar 2019 ruim € 18.000,- heeft verdiend, in 2020 ruim € 23.000, in 2021 ruim € 24.000, in 2022 ruim € 26.000, in 2023 ruim € 31.000 en in 2024 ruim € 37.000 heeft verdiend.
Voor wat betreft zijn adresgegevens en verblijf in Nederland is het volgende bekend:
- vanaf 27 juni 2018 tot 11 juni 2019 stond de opgeëiste persoon in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op een adres in Steenbergen;
  • vanaf 11 juni 2019 tot en met 16 april 2025 stond hij in de BRP als niet-ingezetene geregistreerd respectievelijk zonder adres en met een adres in Kurnów in Polen;
  • op de jaaropgaven van 2022, 2023 en 2024 staat een adres in Zaandam;
  • vanaf 16 april 2025 is hij in de BRP geregistreerd op een adres in Zaandam;
  • ten tijde van het uitvaardigen van het EAB, in december 2024, verbleef de opgeëiste persoon op een adres in Zaandam (weergegeven in rubriek F);
Tevens zijn door de opgeëiste persoon nog uitzendovereenkomsten tussen hem en [bedrijf] overgelegd waarin is vermeld dat de huisvesting door de werkgever wordt aangeboden.
Gelet op de hoogte van de bedragen die de opgeëiste persoon heeft verdiend - die de stelling rechtvaardigen dat de opgeëiste persoon minstens een substantieel deel van elk jaar in Nederland moet hebben gewerkt -, de overige hierboven genoemde gegevens betreffende zijn verblijf in Nederland en de toelichting die de opgeëiste persoon ten aanzien van zijn verblijf in Nederland heeft gegeven, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het haar ambtshalve bekend is dat inschrijving in de BRP op adressen waar de opgeëiste persoon via de (tijdelijke) werkgever kan wonen, niet altijd mogelijk is dan wel wordt toegestaan.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 13 mei 2025 volgt dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht in Nederland verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5. weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De
rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Gliwicein Polen;
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland;
HEFT OPde - geschorste - overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon];
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en F.K. Verbruggen, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (