ECLI:NL:RBAMS:2025:3533

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
29 mei 2025
Zaaknummer
13/026951-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over de overlevering van een Letse onderdaan in verband met een Europees aanhoudingsbevel

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 27 mei 2025 een tussenuitspraak gedaan in het kader van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door Letland. De rechtbank heeft de zaak aangehouden omdat er onvoldoende concrete informatie is verstrekt over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in Letland, met name met betrekking tot de bescherming tegen geweld en de negatieve gevolgen van het kastenstelsel in de Letse gevangenissen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een individueel gevaar bestaat voor de opgeëiste persoon, die de Letse nationaliteit heeft en in Letland geboren is in 1986. De rechtbank heeft de redelijke termijn voor het nemen van een beslissing vastgesteld op dertig dagen en heeft de zaak opnieuw ingepland voor 25 juni 2025, om te onderzoeken of er een wijziging in de omstandigheden heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft ook de gevangenhouding van de opgeëiste persoon geschorst tot aan de uitspraak. De officier van justitie heeft betoogd dat de informatie die door de Letse autoriteiten is verstrekt te algemeen is en niet voldoende om de overlevering toe te staan. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW).

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/026951-25
Datum uitspraak: 27 mei 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 17 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2024 door
Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia,Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadslieden mrs. M.A.C. de Bruijn en T.E. Korff, advocaten in Amsterdam en door een tolk in de Russische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Bij tussenuitspraak van 22 april 2025 is het onderzoek heropend en geschorst in verband met het opvragen van nadere informatie over de detentieomstandigheden. Bij deze tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De behandeling is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 mei 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door haar gemachtigd raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Letse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak 22 april 2025

Bij tussenuitspraak van 22 april 2025 heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 22 april 2025. De rechtbank heeft in die tussenuitspraak gewezen op het algemene reële gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden blootgesteld, als gevolg van met name het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg. Het rapport van
The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van 26 februari 2025 geeft geen aanleiding om anders te oordelen over het eerder vastgestelde reële gevaar van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) voor gedetineerden in Letland. Met de aanvullende informatie van de Letse autoriteiten is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien zij in Letland in detentie geplaatst wordt. De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 22 april 2025 de volgende vragen geformuleerd:
Gelet op de aanvullende informatie van 7 maart 2025 heeft de rechtbank de volgende aanvullende vragen:
1.
Wordt er in de penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon naar verwachting gedetineerd zal worden, te weten Iļģuciems Prison, rekening gehouden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon een baby en een jong kind heeft (die respectievelijk één maand en 1 jaar en vier maanden oud zijn). Is voor haar bijvoorbeeld een moeder-kind unit beschikbaar?
2.
Zo ja, is er reden om aan te nemen dat daar geen sprake is van de eerdergenoemde informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’)? Waarop is die veronderstelling gebaseerd?
3.
Zo nee, welke maatregelen gelden dan concreet om de opgeëiste persoon (al dan niet met haar kinderen) te beschermen tegen het kastenstelsel?
De Letse autoriteiten (International Cooperation Division, Department for Supervision of Operation and International Cooperation, Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia) hebben op 30 april 2025 onder meer het volgende geantwoord:
1. Yes, Ilguciema Prison, where [de opgeëiste persoon] will most likely be detained, takes into account the fact that she has a baby and a young child. Furthermore, Article 14 of the Law on the Procedures for Holding under Arrest of the Republic of Latvia provides that children may stay with their mother in the remand prison up to the age of four, with full State support.
2., 3. The relevant questions can be answered by the Prison Administration of the Republic of Latvia, to which the questions were sent today. At the same time I regret to inform you that it will not be possible to provide a translated answer within the deadline you have indicated due to the public holidays. The answer will be provided as soon as
possible.
For my part, I can add that we have no information regarding the hierarchy system in the women’s prisons.
De
Prison Administration of the Republic of Latviaheeft op 6 mei 2025 onder meer het volgende meegedeeld:
The Administration informs that any prisoner in need of assistance may contact any prison official at any time of day, who at that moment performs his/her job responsibilities in the prison, white the official, taking into consideration the conditions, will act according to the situation in order to ensure the immediate protection of the prisoner or to prevent any threats to his/her health or life.
In a prison, every case shall be examined individually in order to select the most appropriate and effective measures for the protection of a prisoner.
The Administration notes that the prison officials in Latvia, white performing the supervision of prisoners, strictly comply with the effective laws and regulations and ethical norms in order to prevent any physical suffering of the prisoner, degrading treatment or discrimination.
The continuous 24-hour supervision system includes the video surveillance and checks performed by the staff on a regular basis. Video surveillance cameras and other technical tools are used to minimize the manifestation of informal hierarchies. The use of video surveillance in prisons helps staff react promptly to signs of threats, suspicious action or abuse and prevent physical or emotional abuse among prisoners, particularly in areas with larger groups of prisoners, also from different cells. Taking into consideration that the use of video surveillance in prisons reduces the influence of "lower caste" inmates, it contributes to minimizing the spread of informal hierarchical influence.
If any risks of abuse or degrading treatment are stated, the prisoner is immediately moved to another cell. Prison officials carry out checks of cells on a regular basis, thus systematically controlling and supervising the prisoners (e.g., behaviour, traumas, atmosphere in the cell), as well as in case of endangerment, the prisoner can refer to the official and request for assistance or protection.
De raadsman heeft opnieuw betoogd dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Ook de nieuwe informatie is onvoldoende concreet om het individuele gevaar voor opgeëiste persoon weg te nemen. De raadsman heeft verzocht om direct uitspraak te doen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – hoewel er enkele positieve punten worden benoemd – de antwoorden op de vragen 2 en 3 te algemeen van aard zijn. Dit levert een beletsel op voor het toestaan van de overlevering. De officier van justitie verwacht niet dat er op korte termijn andere informatie uit Letland zal komen, dus refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over een eventuele redelijke termijn.
Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de Letse autoriteiten onvoldoende antwoord hebben gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen het geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien zij in Letland in detentie geplaatst wordt. De rechtbank overweegt opnieuw dat de informatie die is verstrekt, van algemene aard is en niet of nauwelijks ziet op de concrete situatie van de opgeëiste persoon.
Dit leidt tot het oordeel dat er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat zij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Nu een individueel gevaar wordt aangenomen, dient de rechtbank de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Hoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt - mede tegen de achtergrond van de recente ‘prison standard’ van het CPT ‘Informal prisoner hierarchy’ (CPT/Inf (2025) 12 ) -), acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat aanvullende informatie mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren. Bovendien kan wellicht nog nadere informatie worden verkregen over de stand van zaken met betrekking tot het kastenstelsel in vrouwengevangenissen. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden is opgetreden.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. Ingevolge artikel 11, derde lid, OLW wordt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarvan onder opgave van redenen van de aanhouding in kennis gesteld door de officier van justitie. Gedurende de aanhouding zal de rechtbank nagaan of er een wijziging in de omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op dertig dagen.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland aan het einde van deze termijn (25 juni 2025) dan wel uiterlijk tien dagen na die datum, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.

5.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland
uiterlijk tien dagen na 25 juni 2025.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met
zestig dagen, omdat zij die
verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en haar raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Letse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. F.K. Verbruggen en A.T.P. van Munster, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.