ECLI:NL:RBAMS:2025:3244
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens langdurige detentie en onderverhuur sociale huurwoning
De huurder verhuurde sinds 2013 een sociale huurwoning van de Alliantie. Gedurende twee periodes tussen 2021 en 2024 zat hij in detentie en had daardoor niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde. De huurder heeft dit niet gemeld en ook geen verzoek tot huisbewaring ingediend. Medewerkers van de Alliantie troffen tijdens huisbezoeken een vrouw aan die verklaarde de woning te huren, wat door verklaringen van buren werd bevestigd.
De huurder stelde dat hij de woning nooit aan derden had gegeven en dat hij tijdens detentie alleen de sleutel aan zijn zoon had gegeven voor toezicht. De rechtbank oordeelde dat het gehuurde feitelijk in gebruik was gegeven aan derden, wat verboden is volgens de huurovereenkomst. De huurder is aansprakelijk voor het handelen van zijn zoon.
De rechtbank concludeerde dat de huurder ernstig tekort is geschoten door geen hoofdverblijf te hebben in de woning en het gehuurde aan derden in gebruik te geven. Dit rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst vanwege het maatschappelijke belang van optimale en eerlijke verdeling van schaarse sociale huurwoningen.
Hoewel het belang van de huurder bij behoud van de woning zwaar weegt, weegt dit niet op tegen de ernstige tekortkomingen. De ontbinding wordt uitgesproken met een ontruimingstermijn van 14 dagen. De proceskosten worden aan de huurder opgelegd.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder moet binnen 14 dagen ontruimen wegens langdurige afwezigheid en onderverhuur.