ECLI:NL:RBAMS:2025:2866

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
1305377022
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van witwassen en oplichting gemeente Amsterdam

De rechtbank Amsterdam heeft op 8 april 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een besloten vennootschap die werd verdacht van witwassen en oplichting van de gemeente Amsterdam. De zaak werd behandeld in een meervoudige kamer, waarbij meerdere zittingen plaatsvonden in januari, februari en april 2025. De verdachte werd onder meer beschuldigd van het witwassen van ruim €1,6 miljoen en het oplichten van de gemeente door het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

Tijdens de procedure heeft de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard, behalve voor een deel van het witwasfeit wegens verjaring. De verdediging en het OM waren het eens dat de tenlastegelegde feiten niet bewezen konden worden. De rechtbank heeft het bewijs en de verweren zorgvuldig afgewogen en geoordeeld dat onvoldoende bewijs aanwezig was om de verdachte te veroordelen.

Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten, behalve dat het OM niet-ontvankelijk werd verklaard voor het verjaarde witwasfeit. Dit vonnis werd gewezen door de voorzitter en twee rechters, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en het OM is niet-ontvankelijk verklaard voor een verjaard witwasfeit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.053770.22
Datum uitspraak: 8 april 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
de besloten vennootschap [verdachte] ,
gevestigd op het adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 30 en 31 januari 2025, 3, 4 en 5 februari 2025 en 8 april 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. A. Kerkhoff en A.M. Lobregt (hierna: de officier van justitie) en van wat de heer
[medeverdachte 1] (bestuurder van verdachte) en mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam namens verdachte naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]
De rechtbank heeft op de zitting van 5 februari 2025 bepaald dat de officier van justitie op het door de raadslieden van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bij repliek gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, schriftelijk zal reageren. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de officier van justitie een nader proces-verbaal van bevindingen moet (laten) opmaken waarin aanvullende vragen van de rechtbank dienen te worden beantwoord. De raadslieden zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop schriftelijk te reageren. Indien hierna behoefte zou bestaan aan het andermaal voeren van het laatste woord kan dit schriftelijk gebeuren of op de zitting van 8 april 2025.
Op 13 februari 2025 heeft de rechtbank twee processen-verbaal van bevindingen ontvangen (gedateerd 13 februari 2025) en het standpunt van de officier van justitie. Op 28 februari 2025 heeft de rechtbank een reactie hierop ontvangen van de raadsman van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [verdachte] inhoudende dat het verweer niet zal worden gehandhaafd. Op diezelfde datum ontving de rechtbank de reactie van de raadsman van [medeverdachte 3] . Op 3 maart 2025 heeft de rechtbank de reactie van de raadsman van [medeverdachte 2] ontvangen. Op 28 maart 2025 heeft [medeverdachte 2] andermaal en schriftelijk gebruik gemaakt van het laatste woord. De raadsvrouw van [medeverdachte 4] is per e-mail ingelicht over deze nadere afspraken. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op de processen-verbaal en de schriftelijke reactie van de officier van justitie te reageren.
Het onderzoek is op 8 april 2025 gesloten en de rechtbank heeft aansluitend uitspraak gedaan.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan
1: het in de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 november 2019 in Amsterdam, althans in Nederland, samen met een ander of anderen (gewoonte)witwassen van geldbedragen van in totaal ongeveer € 637.382. Dit is impliciet subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van schuldwitwassen;
2: het in de periode van 28 juli 2017 tot en met 5 oktober 2017 in Amsterdam, Amstelveen en/of Haarlem, althans in Nederland, samen met een ander of anderen witwassen van
€ 1.000.000. Dit is impliciet subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van schuldwitwassen;
3: het in de periode van 1 januari 2011 tot en met 19 november 2021 in Amsterdam en/of Amstelveen, althans in Nederland, samen met een ander of anderen oplichten van de gemeente Amsterdam waardoor de gemeente is overgegaan tot het verstrekken van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van project [projectnaam] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Het openbaar ministerie is ontvankelijk, behalve in de vervolging van verdachte voor het onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen, omdat dit feit is verjaard.

4.Vrijspraak

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging – de tenlastegelegde feiten niet bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het openbaar ministerie
niet-ontvankelijkin de vervolging van verdachte voor het onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen.
Verklaart de overige onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J. Bos, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2025.
[...]