De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 april 2025 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België. De verdachte, een Nederlandse staatsburger, werd op 4 maart 2025 gehoord en bijgestaan door zijn advocaat. De rechtbank verlengde de beslistermijn en schorsing van de gevangenhouding tot de uitspraak.
Tijdens de procedure werd een tussenuitspraak gedaan op 18 maart 2025 waarin reeds werd geoordeeld over de grondslag van het EAB, de verdedigingsrechten en mogelijke weigeringsgronden, waaronder detentieomstandigheden. De verdachte deed geen beroep op de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Overleveringswet (OLW).
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de formele eisen en dat er geen weigeringsgronden aanwezig waren die overlevering zouden verhinderen. Op basis daarvan besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk volgens artikel 29, tweede lid, OLW.