Op 16 december 2022 is een campuscontract gesloten voor een studentenwoning, ingaande 1 maart 2023 met een minimale huurperiode van twaalf maanden. De huurder betaalde een waarborgsom van € 2.382,90. Na beëindiging van haar inschrijving als student zegde de huurder de overeenkomst op per 3 januari 2024 en verliet de woning op 1 januari 2024.
De kern van het geschil betrof of de huurovereenkomst voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd was en of de huurder tussentijds kon opzeggen. De kantonrechter oordeelde dat het campuscontract een overeenkomst voor onbepaalde tijd is met een minimale huurperiode van twaalf maanden. De overeengekomen opzegtermijn van twee maanden was nietig omdat deze in strijd was met dwingend recht. De huurder mocht daarom eerder opzeggen, maar moest wel de huur over januari 2024 voldoen.
Verder werd vastgesteld dat de verhuurder de waarborgsom mocht verrekenen met de achterstallige huur van januari 2024, maar niet met overige kosten zoals administratiekosten en extra voorschot servicekosten, omdat deze niet voldoende waren onderbouwd of contractueel overeengekomen. De verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van € 1.539,71 plus wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 230,96. Proceskosten werden aan de verhuurder opgelegd.