Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:1601

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
11307195 CV EXPL 24-11847
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:290 BWArt. 6:96 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en verrekening huurachterstand en exploitatieopbrengsten automaten in bedrijfsruimte

De huurder exploiteert sinds 2017 een horecabedrijf in een gehuurde bedrijfsruimte en is gehouden tot afdracht van opbrengsten uit kansspel- en behendigheidsautomaten aan de verhuurder. De verhuurder, tevens enig aandeelhouder van de verhuurder, vordert betaling van openstaande facturen wegens niet-betaalde afdracht. De huurder erkent de hoofdsom, maar stelt dat zij kosten heeft gemaakt voor reparaties aan gebreken in het gehuurde, die zij heeft verrekend met de vordering.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder de gemaakte kosten had moeten verrekenen met de huur en niet met de opbrengsten van de automaten. De huurder heeft een deel betaald, waardoor een restant van €1.181,58 resteert dat niet is betwist. Deze hoofdsom wordt toegewezen met de wettelijke handelsrente. De gevorderde incassokosten worden grotendeels afgewezen wegens onvoldoende specificatie, maar conform de wet wordt een vergoeding van €40 toegekend.

De proceskosten worden deels toegewezen, waarbij de kantonrechter het ontbreken van communicatie tussen partijen betreurt en daarom geen salarispunt toekent voor de mondelinge behandeling. De overige proceskosten worden aan de huurder opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en overige vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de resterende hoofdsom, rente, beperkte incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11307195 CV EXPL 24-11847
vonnis van: 13 maart 2025
fno.: 58865

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Hartman Automaten B.V.

gevestigd te Badhoevedorp
eiseres
nader te noemen: Hartman
gemachtigde: [gemachtigde]
t e g e n

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam]

wonende te [woonplaats]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon

De procedure

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:
  • de dagvaarding van 2 september 2024, met producties;
  • de conclusie van antwoord van 17 oktober 2024, met bijlagen;
  • het instructievonnis van 31 oktober 2024 met dagbepaling mondelinge behandeling;
  • de akte aanvullende producties 17 t/m 23 tevens akte vermindering van eis.
Op 12 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Voor Hartman is verschenen [naam] (directrice), bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] verscheen in persoon. Hartman heeft nog een actuele specificatie van de vordering in het geding gebracht. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

De feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
[gedaagde] huurt sinds 21 juni 2017 van Damu-Horeca B.V. (hierna: de verhuurder) een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] exploiteert in het gehuurde een horecabedrijf onder de naam [handelsnaam] .
1.2.
Hartman is enig aandeelhouder van de verhuurder.
1.3.
Partijen zijn ook een exploitatieovereenkomst voor kansspel- en behendigheidsautomaten aangegaan. Die overeenkomst is vastgelegd in artikel 9.6 van de huurovereenkomst. Maandelijks worden de meterstanden van de automaten opgenomen waarna [gedaagde] van Hartman een afrekening en een factuur krijgt voor de aan Hartman af te dragen opbrengsten.
1.4.
[gedaagde] heeft de van Hartman ontvangen facturen voor de afdracht van opbrengsten uit de automaten, ondanks herhaalde aanmaning, niet volledig voldaan.

Het geschil

2. Hartman vordert, na vermindering van eis en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.181,58 aan hoofdsom, € 279,03 aan vervallen rente en € 562,07 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van gehele betaling. Daarnaast vordert Hartman veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3. Hartman legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen partijen een exploitatieovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot kansspel- en behendigheidsautomaten en dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming daarvan door de aan haar verzonden facturen, in verband met de afdracht van opbrengsten uit die automaten, niet volledig te voldoen.
4. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde hoofdsom, maar heeft gesteld – kort gezegd – dat het gehuurde gebreken heeft en dat de verhuurder heeft nagelaten die gebreken te verhelpen. Zij heeft daardoor kosten moeten maken om de reparaties zelf uit te (laten) voeren, welke kosten zij vervolgens heeft gefactureerd aan de verhuurder en heeft verrekend met de vordering van Hartman.
5. Op de stellingen van partijen over en weer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

6. [gedaagde] heeft verklaard dat zij inmiddels heeft ingezien dat zij de door haar gemaakte kosten vanwege de gebreken aan het gehuurde niet met de opbrengst uit de automaten maar met de huur had moeten verrekenen. Zij heeft daarom op 10 oktober 2024 € 2.213,60 aan Hartman voldaan in de veronderstelling dat dit het openstaande bedrag was. Hartman heeft de vordering met dit bedrag verminderd. Aan hoofdsom resteert dus € 1.181,58. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag niet betwist, zodat dit zal worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente wordt als niet betwist toegewezen.
7. Hartman heeft een vergoeding gevorderd van € 562,07 wegens buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft die vordering betwist. Op grond van de wet dient Hartman voldoende toe te lichten welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarbij kan niet worden volstaan met de enkele stelling dat die werkzaamheden zijn verricht. In beginsel is [gedaagde] daarom geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de uiterste betaaltermijn inmiddels is verstreken. Uit artikel 6:96 lid 4 BW Pro vloeit daarom voort dat [gedaagde] een vergoeding van € 40,00 verschuldigd is. Dit bedrag zal worden toegewezen.
8. Hartman heeft ook vergoeding gevorderd van de proceskosten. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. De dagvaarding is op 2 september 2024 aan [gedaagde] uitgebracht. Op 10 oktober 2024 heeft [gedaagde] , na het inwinnen van juridisch advies, in mindering op de vordering een betaling van € 2.213,60 gedaan aan Hartman. Vervolgens heeft [gedaagde] in haar antwoord van 17 oktober 2024 verklaard dat zij na betaling van voornoemd bedrag een mail heeft gestuurd aan Rappange (de beheerder van de verhuurder) om laatstgenoemde te laten weten dat zij voornoemd bedrag zal verrekenen met de huur. Kennelijk betwistte zij aldus niet langer de door Hartman aan haar verzonden facturen. Gezien deze omstandigheden is aannemelijk dat de mondelinge behandeling eenvoudig voorkomen had kunnen worden als de gemachtigde van Hartman contact had opgenomen met [gedaagde] om haar te informeren dat er nog een bedrag open stond. [gedaagde] had immers een groot deel van de vordering voldaan en betwiste het restant ook niet meer. Bij gebreke daarvan, ziet de kantonrechter aanleiding kosten voor de mondelinge behandeling te compenseren, in die zin dat voor de mondelinge behandeling geen salarispunt zal worden toegekend. [gedaagde] zal wel worden veroordeeld tot betaling van de overige proceskosten, die aan de zijde van Hartman begroot worden op € 140,83 voor explootkosten,
€ 271,00 ten aanzien van één salarispunt, € 496,00 wegens griffierecht en € 68,00 aan nakosten.

De beslissing

De kantonrechter:
- veroordeelt [gedaagde] om aan Hartman te voldoen € 1.181,58 aan hoofdsom,
€ 279,03 aan vervallen wettelijke handelsrente en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over (het restant van) de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van betaling;
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 975,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
- verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025 in tegenwoordigheid van, mr. H. El Falah, de griffier.