Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de producties 1 tot en met 14 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
- de mondelinge behandeling van 27 februari 2025
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
Verhuurster vorderde in kort geding ontruiming van een woning in Amsterdam van twee huurders die volgens haar de woning nog in gebruik hadden na het einde van de huurovereenkomst per 28 januari 2025. De huurders hadden de woning echter al in augustus 2024 verlaten. De bewoonster, die ook op de huurovereenkomst stond, woonde nog in de woning met haar zoons en betaalde de huur.
Verhuurster had de huurovereenkomst met de huurders voor bepaalde tijd gesloten en deze tijdig opgezegd. De huurders voerden verweer dat de verhuurster onjuiste feiten had gesteld en dat de bewoonster een lopende huurovereenkomst had, waardoor de ontruimingsvordering geen belang had.
De kantonrechter oordeelde dat de verhuurster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de huurders nog in de woning verbleven en dat de bewoonster en haar zoons niet zonder recht in de woning waren. Ook was de verhuurster tekortgeschoten in het aanzeggen van het einde van de huurovereenkomst aan de bewoonster. De vordering werd daarom afgewezen en de verhuurster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen omdat de huurders de woning al hadden verlaten en de bewoonster een geldige huurovereenkomst heeft.