Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een vordering van een voormalig aandeelhouder ([eiser]) tegen [gedaagde] B.V. tot terugbetaling van € 81.600,- die tussen 2016 en 2018 aan [gedaagde] is verstrekt. De kern van het geschil is of deze bedragen een lening vormden die terugbetaald moet worden, of een kapitaalstorting die onderdeel is van het eigen vermogen.
Partijen waren het erover eens dat het bedrag was verstrekt, maar niet over de rechtsverhouding. De rechtbank oordeelde dat [eiser] onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een lening. Er was geen leningsovereenkomst of andere documenten die dat bevestigen. Integendeel, de bedragen waren geboekt als informeel kapitaal en aangeduid als “inleg” of “investering”. Ook e-mails uit die periode spraken over kapitaalstorting.
Hoewel uit latere e-mails en onderhandelingen bleek dat de aandeelhouders het informeel kapitaal als een schuld van [gedaagde] beschouwden, was dit eerder een gezamenlijk voornemen tot terugbetaling via dividenduitkering dan een leningsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst uit 2023 bevatte geen afspraken over terugbetaling van dit bedrag.
De rechtbank concludeerde dat de vordering tot terugbetaling van € 81.600,- niet toewijsbaar was en wees deze af. [eiser] werd veroordeeld in de proceskosten van € 5.495,-. Het vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema en op 5 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van € 81.600,- wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.