Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the District Court in [geboorteplaats] ,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 februari 2025 het verzoek van het openbaar ministerie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen op 25 april 2024. De opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1992, was eerder verschenen bij de zitting van 8 januari 2025, maar was bij de laatste zitting niet aanwezig.
Tijdens de procedure werd een tussenuitspraak gedaan op 22 januari 2025, waarin de rechtbank onder meer de grondslag van het EAB, de weigeringsgrond op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro en het recht op een eerlijk proces volgens artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU beoordeelde. De rechtbank besloot het onderzoek te schorsen om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit.
Op 24 januari 2025 berichtten de Poolse autoriteiten dat het EAB was ingetrokken. Naar aanleiding hiervan stelde het openbaar ministerie dat de rechtbank niet ontvankelijk moest worden verklaard in haar vordering. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk. Tevens stelde zij vast dat de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon was geëindigd.
De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee rechters van de rechtbank Amsterdam en is in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel na intrekking door de uitvaardigende autoriteit.