ECLI:NL:RBAMS:2025:1171

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
13-266050-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks onzekerheid detentieplaats Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon juist is en dat hij de Poolse nationaliteit bezit.

De verdediging voerde aan dat overlevering geweigerd moet worden vanwege onduidelijkheid over de detentieplaats in Polen en slechte detentieomstandigheden, met name in de inrichting te Barczewo. De Poolse autoriteiten konden niet garanderen dat de opgeëiste persoon niet in Barczewo zou worden gedetineerd, wat volgens de verdediging een reëel risico op mensonterende behandeling inhoudt.

De officier van justitie stelde daarentegen dat er geen algemeen gevaar is in de penitentiaire inrichting te Barczewo en dat het onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon daar zal worden gedetineerd. De rechtbank bevestigde dit oordeel in een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak en concludeerde dat het risico op schending van grondrechten bij overlevering niet reëel is.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden zijn. De overlevering werd toegestaan, waarbij werd overwogen dat de onzekerheid over de detentieplaats niet relevant is voor het besluit en dat de opgeëiste persoon geen reëel gevaar loopt op grondrechtenschending.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks onzekerheid over de detentieplaats en mogelijke slechte detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-266050-24
Datum uitspraak: 20 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 4 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2020 door
the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 7 januari 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 januari 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 21 januari 2025 [3]
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Voorts is de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, alsook de gevangenhouding van de opgeëiste persoon.
Zitting 6 februari 2025
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 21 januari 2025

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 21 januari 2025. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro en de strafbaarheid van de feiten beoordeeld. Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst naar haar overweging ten aanzien van artikel 11 OLW Pro in de tussenuitspraak van 21 januari 2025. Deze overweging dient als herhaald en ingelast beschouwd te worden.
De officier van justitie heeft op 23 januari 2025 aan de uitvaardigende autoriteiten gevraagd in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in het geval de overlevering door de rechtbank zal worden toegestaan. De uitvaardigende justitiële autoriteiten hebben bij brieven van 27 januari 2025, 29 januari 2025 en 30 januari 2025 de vragen van de rechtbank beantwoord en verklaard dat pas na overlevering wordt beslist waar de opgeëiste persoon wordt gedetineerd. Daarom kan niet worden gezegd waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden. Daarbij delen zij mee, om diezelfde reden, niet te kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon niet in de penitentiaire inrichting in Barczewo gedetineerd zal worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden. Ten eerste is in onderhavige zaak gebleken dat het niet mogelijk is om mede te delen waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden. Ten tweede heeft een andere opgeëiste persoon zijn ervaringen in detentie in Polen gedeeld en volgens hem zijn de omstandigheden in Barczewo slecht, maar de omstandigheden in andere inrichtingen zijn nog slechter. Gelet op de zorgelijke detentieomstandigheden in meerdere instellingen levert dit een probleem op. Ten slotte geven de Poolse autoriteiten aan niet te kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon niet in Barczewo gedetineerd zal worden. Hierdoor loopt de opgeëiste persoon gevaar te worden blootgesteld aan een mensonterende behandeling.
Het standpunt dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk nabij zijn woon- of verblijfplaats in Polen gedetineerd zal worden gaat niet op, omdat de opgeëiste persoon geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de penitentiaire inrichting te Barczewo. Hiermee is ook geen sprake van een individueel gevaar op grondrechtenschending voor de opgeëiste persoon. De Poolse autoriteiten geven desgevraagd aan niet te kunnen zeggen waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden totdat hij wordt overgeleverd, omdat dit afhankelijk is van meerdere factoren. Gelet op de laatst bekende woon- of verblijfplaats van de opgeëiste persoon in Polen is het echter onwaarschijnlijk dat de opgeëiste persoon in Barczewo gedetineerd zal worden. Hiermee staat artikel 11 OLW Pro niet in de weg aan overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij meerdere uitspraken van 16 januari 2025 beslist aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten in het kader van het onderzoek naar een eventueel algemeen gevaar in de penitentiaire inrichting in Barczewo. Hierbij heeft zij gekozen de vragen voor te leggen in een beperkt aantal overleveringszaken (niet zijnde de zaak van de opgeëiste persoon), met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden en (eventueel) van een centrale autoriteit in Polen antwoorden te verkrijgen.
De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 14 februari 2025 [4] – in één van de eerdergenoemde, voorlopende zaken waarin de vragen zijn gesteld – geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar in de penitentiaire inrichting te Barczewo op basis van de in die zaak verstrekte aanvullende informatie.
Gelet op het voorgaande is de vraag waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om zijn straffen uit te zitten, niet langer relevant. De opgeëiste persoon loopt bij overlevering aan Polen geen reëel gevaar van schending van zijn grondrechten als bedoeld in artikel 11 OLW Pro.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te beëindigen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Gdańsk, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.