ECLI:NL:RBAMS:2025:11230

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
11927447 \ KK EXPL 25-729
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 7:628 lid 5 BWArt. 7:629 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering zieke oproepkracht en toewijzing voorschot transitievergoeding

De kantonrechter Amsterdam behandelde een kort geding waarin een zieke werknemer, werkzaam op oproepbasis, loonvordering en transitievergoeding vorderde van zijn werkgever Verdnatura Holland B.V. De arbeidsovereenkomst was voor bepaalde tijd zonder vaste arbeidsomvang en de werknemer meldde zich ziek op 7 juni 2025. De werkgever betaalde geen loon tijdens ziekte en beëindigde het contract per 27 oktober 2025.

De werknemer beriep zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW dat bij een arbeidsovereenkomst van ten minste drie maanden een vast arbeidspatroon wordt vermoed, maar dit werd verworpen omdat de overeenkomst korter dan drie maanden bestond en onvoldoende bewijs was voor een structureel werkpatroon. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zonder ziekte zou zijn opgeroepen tot werk.

De loonvordering werd daarom afgewezen. Wel werd een voorschot op de transitievergoeding toegekend, waarbij de kantonrechter de einddatum van het contract vaststelde op 27 november 2025 in plaats van 27 oktober 2025, vanwege een kennelijke vergissing in het contract. De reeds betaalde transitievergoeding werd in mindering gebracht. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Loonvordering afgewezen wegens ontbreken vast arbeidspatroon; voorschot transitievergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11927447 \ KK EXPL 25-729
Vonnis in kort geding van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.J. Bouwmeester,
tegen
VERDNATURA HOLLAND B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Verdnatura,
gemachtigde: mr. C. de Bruin.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling is verschenen [eiser] , vergezeld door een tolk en bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigde van [eiser] heeft spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Verdnatura is verschenen vertegenwoordigd door haar gemachtigde.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 28 april 2025 in dienst getreden bij Verdnatura tegen betaling van een bruto uurloon van € 14,85.
2.2.
In de arbeidsovereenkomst staat het volgende:

De werknemer treedt met ingang van 28 april 2025 voor bepaalde tijd bij de werkgever in dienst in de functie van karrenbouwer en wel voor de duur van 7 maanden. Derhalve eindigt deze overeenkomst van rechtswege, zonder dat opzegging vereist is, op 27 oktober 2025, zijnde de laatste dag van het diensterband.”
en verder:
“Op grond van artikel 7:628 lid 5 BW Pro wordt overeengekomen dat gedurende de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst de werknemer het recht op loon niet behoudt indien de arbeid niet verricht wordt en de oorzaak hiervan in redelijkheid ligt bij de werkgever.”
2.3.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao ‘Groothandel in Bloemen en Planten’ van toepassing.
2.4.
Op 7 juni 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Sindsdien heeft Verdnatura [eiser] niet meer opgeroepen en evenmin heeft zij het loon betaald.
2.5.
[eiser] heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij tijdens ziekte recht heeft op loon. Bij brief van 28 augustus 2025 heeft hij Verdnatura gesommeerd het loon uit te betalen. Verdnatura heeft aan de sommatie geen gehoor gegeven.
2.6.
Verdnatura heeft bij brief van 22 september 2025 aan [eiser] geschreven dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van Verdnatura tot betaling van het achterstallig loon over de periode 19 juni 2025 tot 27 november 2025, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Daarnaast vordert [eiser] uitbetaling van de transitievergoeding, door hem berekend op € 568,05 bruto. Tot slot vordert [eiser] de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Verdnatura is op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht tijdens ziekte het loon door te betalen. Omdat geen vaste arbeidsomvang is afgesproken, doet [eiser] een beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Daarbij voert [eiser] aan dat hij structureel volgens een vast patroon gemiddeld 189 uur per maand werkte. Op grond van de cao heeft hij recht op uitbetaling van 90% van zijn loon tot aan het einde van zijn dienstverband, te weten 27 november 2025. Daarbij voert [eiser] aan dat hij een overeenkomst gesloten heeft voor de duur van zeven maanden, zodat de einddatum in het contract een vergissing is. Omdat Verdnatura te laat is met uitbetaling van zijn loon, heeft hij ook recht op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tot slot maakt [eiser] aanspraak op de transitievergoeding.
3.3.
Verdnatura voert verweer. [eiser] werkte op basis van een oproepovereenkomst en hij is buiten een oproepperiode ziek geworden, zodat er geen loonbetalingsverplichting bestaat. Verder zijn partijen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat [eiser] de eerste zes maanden geen recht op loon heeft indien hij geen arbeid verricht. Aan [eiser] komt daarnaast geen beroep toe op artikel 7:610b BW, omdat hij niet aan de referteperiode van drie maanden voldoet. Van een bestendig arbeidspatroon is geen sprake. Verder is de einddatum van de overeenkomst niet 27 november 2025, maar 27 oktober 2025, zoals ook in de overeenkomst staat. De daarin genoemde ‘zeven maanden’ is een kennelijke verschrijving. Verdnatura heeft tot slot de transitievergoeding al uitbetaald. Deze bedraagt € 105,29 bruto.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hij vordert immers de uitbetaling van loon waarmee hij in zijn levensonderhoud voorziet.
4.3.
Vaststaat dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten waarin geen vaste arbeidsomvang is overeengekomen. Dit betekent – kort gezegd – dat [eiser] enkel recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte als hij gewerkt zou hebben wanneer hij niet ziek zou zijn geweest. Daarvan is sprake als een vast patroon is ontstaan in het oproepen van [eiser] voor arbeid. In dat geval kan er namelijk van worden uitgegaan dat hij zou hebben gewerkt als hij niet ziek zou zijn geworden.
4.4.
De kantonrechter is het met Verdnatura eens dat bij de vraag of dit patroon aanwezig was, [eiser] geen beroep toekomt op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Voor het inroepen van dit rechtsvermoeden is namelijk vereist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die ten minste drie maanden heeft geduurd. Tussen partijen staat vast dat op het moment van de ziekmelding daaraan niet is voldaan.
4.5.
Dit betekent dat de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing is en op [eiser] de stelplicht en – indien in een bodemprocedure daaraan wordt toegekomen – de bewijslast rust van zijn stelling dat hij door Verdnatura zou zijn opgeroepen als hij niet ziek zou zijn geworden. [eiser] beroept zich in dit kader erop dat de periode 28 april tot 4 juni 2025 representatief is voor zijn gehele dienstverband. Verdnatura heeft dit echter gemotiveerd betwist en gesteld dat zijn werk niet structureel van aard is. Volgens Verdnatura werd het rooster via WhatsApp gedeeld en werd [eiser] telkens op die manier opgeroepen. Hieruit volgt dat [eiser] op het laatste moment werd opgeroepen en er nog geen arbeid voor hem ingepland stond. Verder heeft Verdnatura onbetwist gesteld dat dit een drukke periode betrof en dat daardoor [eiser] meer heeft gewerkt. In het licht van deze omstandigheden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat een structurele arbeidsomvang is ontstaan. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat [eiser] zonder meer zou zijn opgeroepen voor arbeid als hij niet ziek zou zijn geworden. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat [eiser] buiten een oproepperiode ziek is geworden en dat hij nadien ook niet meer opgeroepen is, is het onvoldoende aannemelijk dat de vordering van [eiser] tot uitbetaling van het loon voor de resterende duur van zijn arbeidsovereenkomst in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat daarop in kort geding kan worden vooruitgelopen. De vordering wordt in zoverre dan ook afgewezen.
4.6.
De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiser] tot uitbetaling van de transitievergoeding zo dat hij die bij wijze van voorschot vraagt. Niet in geschil is dat [eiser] recht heeft op de transitievergoeding. Wel verschillen partijen van mening over de hoogte daarvan. [eiser] heeft blijkens zijn loonstroken in totaal 234,5 uur gewerkt tegen een brutoloon van € 14,85. Verdnatura heeft ter zitting gesteld dat [eiser] een all-in uurloon ontving, maar dit volgt uit de arbeidsovereenkomst noch uit de loonstroken. De kantonrechter gaat hier dan ook aan voorbij. Het brutoloon dient daarom te worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Voor wat betreft de einddatum van het dienstverband overweegt de kantonrechter als volgt. Beide partijen beroepen zich op een vergissing in de overeenkomst. Volgens [eiser] is ten onrechte 27 oktober 2025 als einddatum genoemd, terwijl Verdnatura stelt dat ten onrechte zeven maanden in de arbeidsovereenkomst staat. [eiser] heeft ter onderbouwing dat zijn contract wel zeven maanden zou duren gewezen op de omstandigheid dat in het contract ook een proeftijd staat, terwijl een proeftijd niet mogelijk is bij een contract voor de duur van zes maanden. Verdnatura heeft dit onvoldoende weersproken. Verdnatura heeft slechts aangevoerd dat ook de proeftijd een fout moet zijn, maar dit zou betekenen dat Verdnatura – die de overeenkomst heeft opgemaakt – kennelijk meerdere fouten heeft gemaakt. De kantonrechter volgt dan ook de uitleg van [eiser] en stelt de einddatum voorshands dan ook vast op 27 november 2025. Dit betekent dat [eiser] over zeven maanden een bruto maandsalaris had van € 537,28, zodat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de transitievergoeding zal vaststellen op een bedrag van € 115,54 bruto. De kantonrechter wijst dit bedrag bij wijze van voorschot toe, waarop in mindering strekt hetgeen Verdnatura reeds heeft uitbetaald.
4.7.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Verdnatura worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de in het dictum te bepalen termijn.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Verdnatura tot betaling van een voorschot op de transitievergoeding, ter hoogte van € 115,54 bruto, verminderd met het bedrag dat Verdnatura ter zake daarvan reeds heeft uitbetaald aan [eiser] ,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening en te vermeerderen met de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.