ECLI:NL:RBAMS:2025:10995

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
25-023914
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing tot niet-ontvankelijkheid van bezwaarschrift inzake onderzoekshandelingen in strafzaak

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 een beslissing genomen over de niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift dat was ingediend door de bezwaarde, vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis. Het bezwaarschrift was gericht tegen de weigering van de rechter-commissaris om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. De bezwaarde stelde dat het Openbaar Ministerie geen kennisgeving had gedaan zoals vereist door artikel 238 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk een kennisgeving was gedaan door het Openbaar Ministerie op 3 maart 2025, en verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 2015 ter ondersteuning van haar oordeel. De rechtbank concludeerde dat de rechter-commissaris niet bevoegd was om op de verzoeken van de verdediging te beslissen, omdat de kennisgeving van het Openbaar Ministerie de procedure had beïnvloed. De rechtbank verklaarde de bezwaarde niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, en benadrukte dat de vroegtijdige kennisgeving door het Openbaar Ministerie mogelijk een impasse in het onderzoek zou kunnen veroorzaken, maar dat dit niet voldoende was om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren. De beslissing werd genomen in een meervoudige raadkamer, waarbij de bezwaarde niet in persoon aanwezig was.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 81-323024-22
raadkamernummer : 25-023914
datum : 18 november 2025
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[de bezwaarde] ,

geboren op [geboortedag] [geboortejaar] te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. B.J.G.L. Jaeger, advocaat te Amsterdam ( [adres] ),
hierna te noemen: de bezwaarde.

Feiten

Namens de bezwaarde heeft de raadsman, mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, op 29 augustus 2025 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten. Aan de rechter-commissaris is – kort gezegd – verzocht om:
  • ex artikel 34, derde lid, Sv, een termijn te stellen waarbinnen de verdediging kennis kan nemen van de stukken, zoals genoemd in de brief van de verdediging van 2 juli 2025 gericht aan het Openbaar Ministerie, ter voorbereiding van het verhoor van de getuige [getuige] ;
  • te gelasten dat proces-verbaal wordt opgemaakt waarin het Openbaar Ministerie de vragen beantwoordt, zoals opgesteld in voornoemde brief van 2 juli 2025 van de verdediging.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 10 september 2025 de verzoeken afgewezen.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 24 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 18 november 2025 het bezwaarschrift in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaten van de bezwaarde, mr. J.T.E. Vis en B.J.G.L. Jaeger (hierna: de raadslieden), en de officieren van justitie (hierna: de officier van justitie) op zitting gehoord.
De bezwaarde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen de weigering van de rechter-commissaris de door de bezwaarde gewenste onderzoekshandelingen te verrichten c.q. te gelasten.
Bezwaarde stelt dat hij ontvankelijk is in zijn bezwaarschift. De bezwaarde meent dat de brief van 3 maart 2025 van het Openbaar Ministerie geen kennisgeving vormt als bedoeld in de zin van artikel 238 lid 2 Sv. De mededeling van 3 maart 2025 is door het Openbaar Ministerie gedaan op een moment dat het dossier nog lang niet klaar was. Van een afgewogen beslissing omtrent eventuele verdere vervolging kon op dat moment redelijkerwijze dus nog geen sprake zijn. Gelet hierop en gelet op het feit dat het Openbaar Ministerie na 3 maart 2025 zelf ook nog onderzoekswensen heeft gevorderd ex artikel 181 Sv, heeft het Openbaar Ministerie de mededeling in de brief van 3 maart 2025 zelf ook niet als kennisgeving in de zin van artikel 238 lid 2 Sv bedoeld.
Ten aanzien van de afgewezen onderzoekshandelingen wordt in het bezwaarschrift – kort gezegd - gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris niet zonder meer begrijpelijk is, althans dat er door de rechter-commissaris ontoereikend is gerespondeerd op het door de verdediging aangevoerde in haar verzoek van 29 augustus 2025.
In raadkamer is voornoemd standpunt aangevuld en is door de raadsman het subsidiaire standpunt ingenomen dat de rechtbank de behandeling van het bezwaarschrift zal aanhouden en zal bepalen dat de zittingscombinatie die de strafzaak van de bezwaarde zal behandelen een beslissing zal nemen op het bezwaarschrift. De rechter-commissaris heeft reeds contact gehad met de voorzitter van die combinatie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In het vooraf schriftelijk ingenomen standpunt concludeert de officier van justitie primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, gelet op de kennisgeving van het Openbaar Ministerie in haar brief van 3 maart 2025 in combinatie met de jurisprudentie van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505 (hierna: het arrest van de Hoge Raad).
Subsidiair concludeert de officier van justitie dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het Openbaar Ministerie naar de argumenten genoemd in haar brief van 2 september 2025, namelijk dat er rondom het [naam stichting] géén onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden en evenmin informatie uit onderzoek Greenhill is gedeeld, waardoor de gevraagde informatie buiten het bestek van het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 132 Sv valt en dit geen onderzoeks- of processtukken oplevert waarvan het Openbaar Ministerie zou kunnen vragen die aan de verdediging te mogen onthouden. Ook heeft het Openbaar Ministerie ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het e-mailbericht van het Stichting [naam stichting] van 8 november 2024 en de gemotiveerde beslissing van de rechter-commissaris van 10 september 2025.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het schriftelijk ingenomen standpunt.

Beoordeling

Tijdlijn
In haar brief van 3 maart 2025 heeft het Openbaar Ministerie melding gemaakt van haar voornemen om de bezwaarde in de loop van 2025 te dagvaarden voor een regiezitting. Het vroegste moment waarop de daartoe strekkende dagvaarding betekend zal worden ligt evenwel nog maanden in de toekomst. Die maanden zullen volgens het Openbaar Ministerie benut worden om het dossier zoveel mogelijk af te ronden. Ondertussen kunnen volgens het Openbaar Ministerie, onder regie van de rechter-commissaris, al zoveel als mogelijk eventuele onderzoekswensen worden geïnventariseerd en, afhankelijk van de beoordeling, mogelijk worden uitgevoerd, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.
Op 11 maart 2025 heeft de officier van justitie op grond van artikel 181 Sv bij de rechter-commissaris gevorderd dat [getuige] als getuige wordt gehoord. Dit verzoek is op 12 maart 2025 door de rechter-commissaris toegewezen.
De verdediging heeft op 29 augustus 2025 de rechter-commissaris op grond van artikel 182 Sv verzocht onderzoekshandelingen te verrichten c.q. te gelasten.
Deze onderzoekswensen zijn door de rechter-commissaris bij beslissing van 10 september 2025 afgewezen. De rechter-commissaris overweegt in zijn beslissing wat betreft zijn bevoegdheid tot het nemen van een beslissing op de ingediende onderzoekswensen – kortgezegd – dat de kennisgeving van het Openbaar Ministerie van 3 maart 2025 tot gevolg heeft dat hij niet bevoegd is om op daarna ingediende onderzoekswensen te beslissen, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad. Verder overweegt de rechter-commissaris dat hij voornoemde kennisgeving van het Openbaar Ministerie over het hoofd heeft gezien bij de door hem op 12 maart 2025 genomen beslissing op het verzoek van het Openbaar Ministerie tot het horen van getuige [getuige] . Deze beslissing doet volgens de rechter-commissaris echter niet af aan de rechtspraak van de Hoge Raad.
Met betrekking tot zijn bevoegdheid ten aanzien van de onderhavige onderzoekswensen overweegt de rechter-commissaris dat de zittingscombinatie die de zaak van de bezwaarde gaat behandelen, ermee heeft ingestemd dat de rechter-commissaris de verzoeken van de verdediging en de vorderingen van de officier van justitie in behandeling neemt en afhandelt, zonder dat dit iets afdoet aan de mogelijkheden van partijen om hun wensen te zijner tijd bij de zittingscombinatie (opnieuw) naar voren te brengen. Gelet hierop heeft de rechter-commissaris zichzelf toch bevoegd geacht om een beslissing te nemen op de onderzoekswensen van de verdediging zoals die zijn ingediend op 29 augustus 2025 en heeft hij deze onderzoekswensen afgewezen.
Juridisch kader
In haar arrest van 3 maart 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een redelijke uitleg van artikel 238 lid 2 Sv met zich meebrengt dat na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, de rechter-commissaris bevoegd is tot voortzetting van zijn op grond van de artikelen 181 Sv tot en met 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in de artikelen 181 Sv tot en met 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats.
Dientengevolge staat volgens de Hoge Raad tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek voor de verdachte geen bezwaarschrift op grond van artikel 183 lid 3 Sv open en voor de officier van justitie geen hoger beroep op grond van artikel 446 lid 1 Sv.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van het Openbaar Ministerie in haar brief van 3 maart 2025, namelijk dat zij voornemens is de bezwaarde te dagvaarden voor een regiezitting, wel een kennisgeving vormt als bedoeld in de zin van artikel 238 lid 2 Sv. Dat het dossier toen nog niet compleet was, doet hier niet aan af.
Gelet hierop en gelet op het arrest van de Hoge Raad, heeft het Openbaar Ministerie klaarblijkelijk in strijd met deze door haar afgegeven kennisgeving gehandeld door op 11 maart 2025 een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris te vorderen en was de rechter-commissaris op die datum niet meer bevoegd daarop te beslissen. Nu zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie zich niet verzetten tegen het verrichten van deze onderzoekshandeling door de rechter-commissaris en er tegen de beslissing van de rechter-commissaris geen rechtsmiddelen (meer) open staan, staat deze beslissing in rechte vast.
Aangaande de onderzoekswensen in het onderhavige bezwaarschrift overweegt de rechtbank dat de rechter-commissaris ook niet bevoegd was daarover een beslissing te nemen, gelet op voornoemde kennisgeving van het Openbaar Ministerie en het arrest van de Hoge Raad. Dat de rechter-commissaris zich desondanks toch bevoegd achtte, nu daarover overleg heeft plaatsgevonden tussen de rechter-commissaris en de zittingscombinatie die de strafzaak van de bezwaarde zal gaan behandelen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het arrest van de Hoge Raad laat immers geen ruimte voor een dergelijke uitzondering. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank eveneens niet bevoegd is om kennis te nemen van de (afwijzing van de) onderzoekswensen zoals geformuleerd in het bezwaarschrift en zij bezwaarde aldus niet-ontvankelijk zal verklaren. Het voorgaande heeft ook tot gevolg dat de rechtbank geen ruimte ziet om het subsidiair ingenomen standpunt toe te wijzen.
Wel overweegt de rechtbank dat het doel van de bepaling, zoals neergelegd in artikel 238 lid 2 Sv ingevolge de Wet versterking positie rechter-commissaris, is om zorg te dragen voor een zo snel mogelijke, doelmatige en efficiënte voorfase van de strafzaak. Nu de kennisgeving, zoals het Openbaar Ministerie zelf heeft geschreven, maanden voordat de daartoe strekkende dagvaarding betekend zal worden, is afgegeven, en een (regie)zittingsdatum op dit moment nog niet is ingepland, lijkt het erop dat het Openbaar Ministerie bewust ervoor gekozen heeft om in een (erg) vroeg stadium deze kennisgeving af te geven. Hierdoor zou nu mogelijk een impasse in de voortgang van het onderzoek kunnen ontstaan, hetgeen de rechter-commissaris ook signaleerde, zo blijkt uit zijn beslissing van 10 september 2025.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging op deze manier buitenspel wordt gezet omdat het voor haar nu niet mogelijk is om onderzoek te laten verrichten en dit juist in de voorfase voor de verdediging van groot belang is. Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat het in een dusdanig vroeg stadium doen uitgaan van een kennisgeving in de zin van 238 lid 2 Sv een doelmatige en efficiënte behandeling van de strafzaak juist kan tegenwerken, levert dit in de onderhavige strafzaak vooralsnog niet een dusdanige schending op van de beginselen van een goede procesorde, dat het bezwaarschrift om die reden toch ontvankelijk dient te worden verklaard.
Gelet op de hiervoor geschetste vreemde gang van zaken in de voorfase kan de rechtbank het zich echter wel voorstellen dat het getuigenverhoor van [getuige] wordt uitgesteld tot het moment dat er een regiezitting heeft plaatsgevonden, alwaar de verdediging de onderhavige onderzoekswensen kan indienen en waarop de zittingscombinatie kan beslissen.
Conclusie
De bezwaarde is niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift, gelet op de kennisgeving van het Openbaar Ministerie van 3 maart 2025 en het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505.

Beslissing

De rechtbank verklaart de bezwaarde
niet-ontvankelijkin zijn bezwaar.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mr. E. van den Brink en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.