ECLI:NL:RBAMS:2025:10924

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
81/269467-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Feitelijke leidinggeven aan het onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de teelt van vlinderorchideeën

Op 6 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die feitelijke leiding heeft gegeven aan het onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de teelt van vlinderorchideeën. De verdachte, geboren in 1977, werd beschuldigd van het in voorraad hebben van verboden gewasbeschermingsmiddelen en het niet naleven van gebruiksvoorschriften bij het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten, waaronder twee ondernemingen, gedurende een periode van meer dan twee jaar het middel op een onjuiste manier hebben toegepast, door het te mengen met bulgur en over de planten te strooien in plaats van het op de voorgeschreven wijze te gebruiken. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, in behandeling genomen en de verdediging, vertegenwoordigd door mr. J. Keekstra, gehoord. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging voldoende duidelijk was en verwierp het verweer van de verdediging dat de dagvaarding nietig verklaard moest worden. De rechtbank achtte de feiten bewezen en legde een voorwaardelijke geldboete van € 2.000,- op, met een proeftijd van twee jaar, voor het feit dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor het tweede feit, dat betrekking had op een andere onderneming, werd geen straf of maatregel opgelegd. De rechtbank overwoog dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld en dat de impact van het onderzoek op de onderneming aanzienlijk was geweest.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/269467-23
Datum uitspraak: 6 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]
(
hierna: verdachte of [verdachte] )

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2025 en 23 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.S. de Weijer en van verdachte en zijn raadsman mr. J. Keekstra naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten [bedrijf 1] (81/101577-22), [bedrijf 2] (81/270266-23), [bedrijf 3] (81/270294-23), [medeverdachte 1] (81/269726-23) en [medeverdachte 2] (81/311201-23). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2.Inleiding

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn ondernemingen die zich richten op het kweken van de vlinderorchidee (Phalaenopsis), een potplant. Bij het kweekproces kan sprake zijn de vorming van potworm. Deze is schadelijk voor het kweekproces. Ter bestrijding daarvan heeft de onderneming het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10g gebruikt. Dat was op dat moment een toegelaten middel, maar er golden wel gebruiksvoorschriften. De ondernemingen wordt verweten het middel in strijd met de voorschriften te hebben gebruikt en verdachte wordt verweten daar feitelijk leiding aan te hebben gegeven. Daarnaast wordt verdachte verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan het in voorraad hebben van een gewasbeschermingsmiddel dat niet in Nederland was toegelaten.

3.Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat
Feit 1
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] in of omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen al dan niet opzettelijk meermalen heeft gehandeld in strijd met artikel 55 van de verordening (EG) 1107/2009, immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] Vydate 10G, althans een gewasbeschermings-middel niet op juiste wijze gebruikt door Vydate 10G te mengen met bulgur en dat na het oppotten van de orchideeën aan de bark toe te voegen en/of over de planten(potten) te verstrooien, zulks terwijl hij, verdachte) toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;
Feit 2
[bedrijf 3] op of omstreeks 16 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen
- 7, althans één of meer flacon(s) Input 460 EC en/of
- 2, althans één of meer (aangebroken) flacon(s) Match 12821N,
althans (een) niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel(en) voorhanden en/of op voorraad heeft gehad op het adres [adres] , zulks terwijl hij, verdachte) toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.

4.Geldigheid van de dagvaarding

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 nietig moet worden verklaard omdat onvoldoende duidelijk is tegen welke beschuldiging verdachte zich moet verdedigen. Het verweten onjuiste gebruik van Vydate 10G — in de tenlastelegging omschreven als: ‘niet op de juiste wijze gebruikt’ - is namelijk niet nader verfeitelijkt in de tenlastelegging. Daardoor is het verdachte niet duidelijk waarin dit onjuiste gebruik volgens de tenlastelegging concreet zou zijn gelegen.
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging moet worden gezien in onderlinge samenhang met het dossier. Uit het dossier en de afgelegde verklaringen van verdachten blijkt onmiskenbaar dat zij precies weten over welke gedragingen het gaat. De verdenkingen zijn vanaf het eerste verhoor voorgehouden en uit de gevoerde inhoudelijke verweren valt op te maken dat duidelijk is wat hen wordt verweten. Tot slot heeft de officier van justitie onder verwijzing naar artikel 47 van de Wet op de economische delicten gesteld dat verfeitelijking in het geval van een economisch delict niet noodzakelijk is.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van het tenlastegelegde voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. In de tekst is opgenomen waaruit het niet op juiste wijze gebruiken van Vydate 10G bestaat, namelijk door het middel te mengen met bulgur en dat na het oppotten van de orchideeën aan de bark toe te voegen en/of over de planten(potten) te verstrooien. De omschrijving van het feit is dan ook, mede bezien tegen de achtergrond van het dossier, voldoende duidelijk en feitelijk. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat een verdergaande verfeitelijking niet noodzakelijk is, nu het een economisch delict betreft.. De rechtbank verwerpt het verweer.

5.Waardering van het bewijs

5.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en feit 2 kunnen worden bewezen.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich voor feit 1 primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet opzettelijk is gehandeld in strijd met artikel 55 van de Verordening (EG) 1107/2009. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte op onderdelen moet worden vrijgesproken, te weten voor het ‘toevoegen aan de bark’ en voor een deel van de pleegperiode. Voor de pleegperiode geldt dat het gebruik van Vydate 10G reeds eind 2021 is gestaakt. Voor feit 2 heeft de raadsman, in het licht van de bekennende verklaring van verdachte, geen verweer gevoerd.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 en feit 2 bewezen, met uitzondering van het onder feit 1 tenlastegelegde ‘aan bark toevoegen’, waarvoor verdachte partieel zal worden vrijgesproken. De bewezenverklaring van feit 2 volgt onder meer uit de bekennende verklaring van verdachte. Over het bewijs van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.
Wettelijk kader
Door in de plantenteelt gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken kunnen planten beschermd worden tegen schadelijke organismen, zoals ziekteverwekkers en insecten, en kan de teeltproductie worden verbeterd. Aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kleven echter risico’s voor mens, dier en milieu, vooral wanneer zij zonder officieel te zijn getest en zonder officiële toelating op de markt worden gebracht of verkeerd worden gebruikt. [1]
Wie in de Europese Unie een gewasbeschermingsmiddel wil toepassen moet zich dan ook houden aan de eisen van de Verordening voor gewasbeschermingsmiddelen (EG) nr. 1107/2009 (hierna: de Verordening). De Verordening stelt regels aan de handel in dergelijke middelen, het gebruik ervan en de controle daarop in de Europese Unie. De Verordening heeft tot doel: “een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de communautaire landbouw te vrijwaren”. [2]
Vydate 10G (hierna: Vydate) is een gewasbeschermingsmiddel van dat van februari 2003 tot januari 2024 in Nederland was toegelaten. Volgens artikel 55 van de Verordening moet een gewasbeschermingsmiddel op juiste wijze worden gebruikt. Een juist gebruik houdt in dat de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken worden toegepast, en dat wordt voldaan aan de voorschriften die overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven. In de toelating worden de voorschriften voor het op de markt brengen en het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel vastgesteld. Deze voorschriften omvatten ten minste de nodige gebruiksvoorwaarden om te voldoen aan de voorwaarden en eisen van de verordening ter goedkeuring van de werkzame stoffen, beschermingsstoffen en synergisten (artikel 31 lid 2 van de Verordening). De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden verbiedt in artikel 20 handelen in strijd met artikel 55 van de Verordening.
Volgens het gebruiksvoorschrift van Vydate is het middel uitsluitend toegestaan voor professioneel gebruik door middel van grondbehandeling in de vermelde toepassings-gebieden en onder de vermelde toepassingsvoorwaarden. Eén van de toepassingsgebieden is potplanten en de toepassingsvoorwaarden voor potplanten vermelden ‘potgrondbehandeling voor oppotten’. [3]
De gebruikte toepassingswijze
Niet ter discussie staat dat vlinderorchideeën potplanten zijn en dat potgrondbehandeling voor oppotten inhoudt dat het middel in de grond moet worden verwerkt voordat de planten in de pot gaan.
De rechtbank stelt vast dat Vydate niet door middel van potgrondbehandeling vóór het oppotten, ofwel volgens het gebruiksvoorschrift, werd toegepast. [verdachte] heeft verklaard dat voor de orchideeënteelt Vydate werd gemengd met bulgur en dat dit mengsel vervolgens over de planten werd gestrooid. [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), werknemer, heeft verklaard dat hij Vydate mengde met bulgur en vervolgens wekelijks het mengsel na het oppotten over de planten strooide. [medeverdachte 2] heeft verklaard deze werkwijze niet volgens het gebruiksvoorschrift van Vydate is. Aangezien [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het mengsel van Vydate en bulgur wekelijks over een nieuwe batch jonge plantjes strooide, stelt de rechtbank vast dat het feit meermalen is gepleegd.
Het verweer dat geen sprake was van opzet door de ondernemingen op het handelen in strijd met artikel 55 van de Verordening wordt verworpen. [medeverdachte 2] , die verantwoordelijk was voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen binnen de onderneming, wist dat hij niet volgens het gebruiksvoorschrift van Vydate handelde. Bij hem was er dus sprake van vol opzet. De directie van de ondernemingen wist hoe [medeverdachte 2] het middel gebruikte. Bij de ondernemingen was er daarom tenminste sprake van kleurloos opzet
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat bij het plegen van de verboden gedraging sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [medeverdachte 2] , waardoor sprake is van medeplegen.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de Vydate met bulgur mengde op de locatie van [bedrijf 2] . [verdachte] heeft eveneens verklaard dat het mengen op voornoemde locatie gebeurde. Verder volgt uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] dat op zowel locatie [bedrijf 2] als locatie [bedrijf 1] Vydate gemengd met bulgur over de planten werd gestrooid. Op locatie [bedrijf 1] deed alleen [medeverdachte 2] dat en bij [bedrijf 2] werd het ook door [naam] (hierna: [naam] ) gedaan. Verder werden de planten volgens [verdachte] heen en weer gereden tussen de beide kwekerijen. Gelet op voornoemde werkwijze werden de beiden vennootschappen feitelijk niet uit elkaar gehouden.
Pleegperiode
Ten aanzien van de pleegperiode heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld het gebruik van Vydate reeds eind 2021 was gestaakt. Uit de verklaringen van verdachten volgt dat zij vanaf januari 2022 klamboes toepasten ter bestrijding van de potworm.
De rechtbank is van oordeel dat is bewezen dat tot en met de dag van de inval op 16 september 2022 Vydate gemengd met bulgur over de planten werd gestrooid.
[verdachte] heeft op de dag van de inval verklaard dat ze nu ter bestrijding van de potworm telen onder klamboes en dat ze Vydate daardoor niet meer nodig hebben. Verder heeft hij verklaard dat ze een jaar in de netten-teelt zitten en de potworm goed onder controle hebben en dat dus Vydate helemaal uitgefaseerd kan worden. Voorts heeft hij verklaard dat ze eerst nog wat wantrouwig waren en ze nog wel Vydate gebruikten om te corrigeren of als extra, maar dat ze er nu van overtuigd zijn dat ze volledig zonder Vydate kunnen. Verder is volgens [verdachte] op locatie [bedrijf 2] nog vrij recent Vydate gebruikt.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat op de locatie van [bedrijf 1] is gestopt met het gebruik van Vydate net voor de inval op 16 september 2022. Over [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 2] op 26 september 2022 verklaard dat het daar nu nog incidenteel wordt gebruikt. Bij een paar tafels is het gaas eraf gehaald, de zieke planten eruit gehaald en is er gelijk nog even overheen gestrooid. Hij voegde daaraan toe “Ik denk dat je dat gezien hebt van wat je zegt van dat ding ziet er best wel vies uit”. Vermoedelijk bedoelde [medeverdachte 2] hiermee de aangetroffen mixer.
Bij de doorzoeking op 16 september 2022 werd bij [bedrijf 2] een Hikoki mixer aangetroffen en een verstrooier. De opstelling stond midden in de ruimte van de kas. Verder stonden er emmers en witte mengtonnen. In de mengtonnen zaten resten van een mengsel dat sterk leek op Vydate met bulgur. Van de boorkop van de mixer en van de resten in de emmer zijn monsters genomen. In de monsters is Oxamyl is aangetroffen, de werkzame stof van Vydate. In de kas waarin diverse jonge planten werden geteeld stond op een pad in de kas een granulaatstrooier. In de granulaatstrooier zaten korrels, vermoedelijk bulgur, met daarin kleine blauwe korrels, vermoedelijk Vydate. In een monster hiervan is eveneens Oxamyl aangetroffen.
Op de locatie van [bedrijf 1] werd een rugvernevelaar/pneumastrooier aangetroffen met daarin vermoedelijk een mengel van bulgur met blauwe korrels Vydate. In een monster hiervan is eveneens Oxamyl aangetroffen. Het aantreffen van Oxamyl in beide apparaten bevestigt het vermoeden dat het om Vydate gaat.
Het aantreffen van de opstelling met de mixer, de granulaatstooier op een pad in de kas waar jonge planten werden geteeld en de rugvernevelaar/pneumastooier en de aangetroffen Oxamyl in de monsters, wijst op recent gebruik van Vydate gemengd met bulgur.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat Vydate gemengd met bulgur in ieder geval op locatie [bedrijf 2] tot en met 16 september 2022 over de planten is gestrooid. Aangezien [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [medeverdachte 2] medeplegers zijn is niet relevant wie tot die tijd heeft gestrooid, [medeverdachte 2] of [naam] , en op welke locatie voor het laatst is gestrooid. De rechtbank verwerpt het verweer.
Feitelijke leiding geven door verdachte
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een strafbaar feit hebben gepleegd, komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte aan dat strafbare feit feitelijke leiding heeft gegeven.
Bij de beoordeling daarvan moet niet uitsluitend de juridische positie maar ook de feitelijke positie van verdachte bij de rechtspersoon worden bekeken en het gedrag dat verdachte heeft getoond of nagelaten op grond waarvan hij moet worden geacht aan die verboden gedraging feitelijke leiding hebben gegeven. Verdachte moet als feitelijke leidinggever (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de verboden gedragingen.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen bestuurders waren van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Volgens getuigen hadden zij zeggenschap over de onderneming en bepaalden zij binnen het bedrijf wat er gebeurde. Verdachte wist dat er gebruik werd gemaakt van Vydate en op welke manier. Hij wilde niet dat Vydate op de voorgeschreven manier, namelijk door het mengen in potgrond, werd gebruikt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gezien zijn formele rol en daadwerkelijke opstelling, feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De rechtbank leidt hieruit ook af dat hij hierop opzet had.

6.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlagevervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:
Feit 1
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meermalen hebben gehandeld in strijd met artikel 55 van de verordening (EG) 1107/2009, immers hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] Vydate 10G niet op juiste wijze gebruikt door Vydate 10G te mengen met bulgur en dat na het oppotten van de orchideeën over de planten(potten) te verstrooien, zulks terwijl hij, (verdachte) toen en daar (telkens) aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.
Feit 2
[bedrijf 3] op 16 september 2022 te [plaats]
- 7 flacons Input 460 EC en
- 2 ( aangebroken) flacons Match 12821N,
niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft gehad op het adres [adres] , zulks terwijl hij, (verdachte) toen en daar (telkens) aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7.De strafbaarheid van de feiten

7.1.
Het standpunt de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 55 van de Verordening. De tenlastelegging is niet ingericht naar de inhoud van voornoemd artikel. Verdachte dient daarom voor feit 1 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van dit feit.
Verdachte dient voor feit 1 eveneens te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. De belangen die artikel 55 van de Verordening beoogt te beschermen, werden door de werkwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in alles beter gediend dan de werkwijze volgens het gebruiksvoorschrift. Het handelen van verdachte is hierdoor te rechtvaardigen door het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.
7.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich voor feit 1 op het standpunt gesteld dat voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden het niet noodzakelijk is dat een of meer bestanddelen uit artikel 55 van de Verordening daarin moeten worden opgenomen.
Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid heeft de officier van justitie zich voor feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdediging niet nader heeft onderbouwd dat de risico’s door de gehanteerde toepassingswijze minder zijn dan bij de toepassingswijze volgens de gebruiksvoorschriften en dat de verdediging zijn standpunt baseert op ongefundeerde aannames en niet op grond van wetenschappelijk onderzoek.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat feit 1 is bewezen en een kwalificatie oplevert van schending van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven). Daarin is bepaald dat het verboden is in strijd te handelen met artikel 55 van de Verordening. Dat is ook ten laste gelegd. In artikel 55 van de Verordening wordt verwezen naar voorschriften in artikel 31 van de Verordening; die moeten worden nageleefd en bewezen is dat dat niet is gebeurd. Het verweer dat feit 1 niet kan worden gekwalificeerd wordt daarmee verworpen.
Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. Van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid kan sprake zijn als door de handelwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] het met de overtreden strafbepaling nagestreefde doel wordt bereikt of daardoor een hoger belang wordt gediend, of wanneer bepaald gedrag naar algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen toelaatbaar is. Dat hiervan sprake zou zijn is door verdachte onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de toepassingswijze naar de huidige stand van de wetenschap tot hetzelfde of een hoger niveau van bescherming van de gezondheid van de mens zou leiden. Het had op de weg van verdachte gelegen het standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank verwerpt het verweer.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straf

9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en voor feit 2 tot een geldboete van € 500,-.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om onder meer rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn, de buitenproportionele inzet van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden en de voor verdachte nadelige gevolgen van het opsporingsonderzoek zoals het verlies van klanten en orders. Hij heeft verzocht een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
9.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt feitelijke leidinggeven aan het niet volgen van gebruiksvoorschriften bij het toepassen van een zeer giftig gewasbeschermingsmiddel bij de productie van vlinderorchideeën. Wekelijks gedurende een periode van ruim twee jaar is het middel gemengd met bulgur en over de orchideeën gestrooid, terwijl het middel volgens het gebruiksvoorschrift uitsluitend door potgrond gemengd mag worden. Voor het gebruik van dit soort middelen gelden voor professionele gebruikers strenge normen en strikte gebruiksvoorschriften. De gebruiksvoorschriften zorgen voor een veilige en effectieve toepassing waarbij de belasting voor mens, dier en milieu wordt geminimaliseerd. Daarbij geldt dat als er (op grote schaal) wordt afgeweken van gebruiksvoorschriften en het middel naar eigen inzicht wordt gebruikt in strijd met die voorschriften, het (relatief) veilig gebruik onder druk komt te staan.
Verder heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan het in voorraad hebben van een aantal flacons met verboden gewasbeschermingsmiddelen. Het is verdachte te verwijten dat hij er als verantwoordelijke binnen de onderneming niet voor heeft gezorgd dat deze middelen tijdig en op een juiste wijze zijn afgevoerd.
De rechtbank heeft gekeken naar de persoonlijke omstandigheden en de omstandigheden van de onderneming. Ter zitting is verklaard dat het onderzoek op verdachte grote impact heeft gehad. Er zijn ook zware opsporingsmiddelen ingezet. De onderneming is door de inval klanten kwijtgeraakt, maar het gaat financieel wel goed met de ondernemingen. Daarnaast heeft de rechtbank de indruk gekregen dat de ondernemingen bewust omgaan met het milieu en de effecten van de onderneming daarop. De officier van justitie heeft er ook op gewezen dat de ondernemingen het bewezenverklaarde feit hebben gepleegd omdat zij bezig waren om een manier te vinden om de potworm te bestrijden met een zo gering mogelijke impact. Verdachte is daar als feitelijk leidinggevende mede verantwoordelijk voor en de rechtbank zal dat in het voordeel van verdachte meewegen bij de bepaling van de straf. Ook weegt de rechtbank enigszins strafmatigend mee dat ook andere kwekers in hun zoektocht naar een effectieve bestrijding van de potworm Vydate op deze wijze gebruikten, maar dat het Openbaar Ministerie ervoor gekozen heeft om alleen de ondernemingen waarvan verdachte bestuurder is aan te pakken, omdat zij de grootste afnemers van bulgur leken te zijn.
Uit de justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 8 september 2025 blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Redelijke termijn
Anders dan de verdediging acht de rechtbank de redelijke termijn niet geschonden. Op 16 september 2022 vond een inval plaats bij verdachte. Op 21 november 2023 heeft het openbaar ministerie een afdoeningsvoorstel aan verdachte voorgelegd, waarna op 12 december 2023 de raadsman zich heeft gesteld en heeft aangegeven dat verdachte niet instemt met het afdoeningsvoorstel. Op 23 december 2023 is het dossier gedeeld met de raadsman. Op 24 januari 2024 heeft de officier van justitie aan de raadsman gevraagd of hij het dossier inmiddels heeft doorgenomen en met verdachte heeft kunnen bespreken en of een en ander wellicht tot herziening van het standpunt over het afdoeningsvoorstel heeft geleid. De raadsman is eveneens verzocht om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Op 20 februari 2024 heeft de raadsman om uitstel gevraagd voor het eventueel indienen van onderzoekswensen. Op 4 maart 2024 heeft de raadsman onderzoekswensen ingediend. Vervolgens heeft op 13 februari 2025 een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden.
Gelet op het hiervoor geschetste verloop en de omvang van het onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn. Het bovenstaande laat onverlet dat de rechtbank bij de strafoplegging wel rekening heeft gehouden met het tijdsverloop tussen de pleegperiode en dit vonnis.
De straf
Bij de bepaling van hoogte van de straf heeft de rechtbank ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Ten aanzien van feit 1 acht de rechtbank een voorwaardelijke geldboete van € 2.000,- met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat zij het niet opportuun acht om hiervoor een straf of maatregel op te leggen. De rechtbank weegt hierin mee dat de onderneming zelf daarvoor al een boete van € 5.000,- moet betalen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 23, 51 van het Wetboek van Strafrecht
  • 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten
  • 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
  • 55 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1, feit 2
Telkens: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1:
Veroordeelt verdachte tot een
geldboetevan
€ 2.000,-(tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 (dertig) dagen.
Bepaalt dat deze geldboete
nietzal worden
ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Ten aanzien van feit 2:
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2025.
[…]
[…]
:
[…]

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1107/2009, preambule overweging 6 en 7.
2.Verordening (EG) Nr. 1107/2009, preambule overweging 8.
3.AMB-059, PV bevindingen Vydate 10G, p. 2; DOC-00032, p. 2.