ECLI:NL:RBAMS:2025:10888

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
13/243106-25 (zaak A) en 13-180019-25 (zaak B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 58-jarige man voor meerdere winkeldiefstallen met oplegging van ISD-maatregel

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een 58-jarige man, die werd beschuldigd van meerdere winkeldiefstallen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal bij verschillende winkels in Amsterdam, waarbij hij op 14 september 2025 en 12 juni 2025 goederen heeft weggenomen. De officier van justitie, mr. P. de Haas, heeft gevorderd dat de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) opgelegd zou krijgen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van de feiten of de oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan alle voorwaarden voor de oplegging van de ISD-maatregel is voldaan, gezien de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar, waarbij de veiligheid van goederen als argument is gebruikt voor deze beslissing. De rechtbank heeft ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen afgewezen, omdat de ISD-maatregel als de enige passende maatregel werd gezien.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/243106-25 (zaak A) en 13-180019-25 (zaak B)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/002154-25, 13/052457-25 en 13/080037-24
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1967,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in: [penitentiaire inrichting] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [deskundige] , medewerker van Mentrum, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
ten aanzien van zaak A:
feit 1: winkeldiefstal bij de [winkel 1] op 14 september 2025;
feit 2: winkeldiefstal bij de [winkel 2] op 14 september 2025;
feit 3: winkeldiefstal bij de [winkel 3] op 14 september 2025;
ten aanzien van zaak B:
winkeldiefstallen bij de [winkel 1] , [winkel 4] en [winkel 5] op 12 juni 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde winkeldiefstallen. Daarbij spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van de aan hem ten laste gelegde diefstal van de tas bij de [winkel 3] op 14 september 2025, nu niet is komen vast te staan of de tas bij verdachte is aangetroffen bij de aanhouding en onduidelijkheid bestaat over inbeslagname van die tas.
De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ten aanzien van zaak A
Ten aanzien van alle feiten
1.
De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting van 12 december 2025 heeft afgelegd.
Ten aanzien van feit 1
1.
Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] (namens [winkel 1] ) met nummer 250914-1490-639 van 14 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 7 tot en met 10.
Ten aanzien van feit 2
1.
Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] (namens [winkel 2] ) met nummer PL1300-2025231455-14 van 15 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 11 tot en met 17.
Ten aanzien van feit 3
1.
Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 3] (namens [winkel 3] ) met nummer PL1300-2025231455-15 van 15 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 18 tot en met 21.
Ten aanzien van zaak B
1.
De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting van 12 december 2025 heeft afgelegd;
2.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025144553-3 van 12 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] , [opsporingsambtenaar 5] , [opsporingsambtenaar 6] en [opsporingsambtenaar 7] , doorgenummerde pagina’s 17 tot en met 20.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van zaak A
Ten aanzien van feit 1
op 14 september 2025 te Amsterdam kledingstukken die aan [winkel 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van feit 2
op 14 september 2025 te Amsterdam kledingstukken en een paar schoenen die aan [winkel 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van feit 3
op 14 september 2025 te Amsterdam kledingstukken die aan [winkel 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Ten aanzien van zaak B
op 12 juni 2025 op meerdere tijdstippen te Amsterdam
- twee broeken die aan [winkel 1] en
- een rugtas die aan [winkel 4] en
- een parfum dat aan [winkel 5]
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen oplegging van de ISD-maatregel.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Dit is een hinderlijk feit dat in de maatschappij in het algemeen, en bij de winkelbedrijven in het bijzonder, overlast en schade veroorzaakt.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 3 november 2025 (hierna: strafblad), waaruit blijkt dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 december 2025, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] . Dit advies houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in.
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het middelengebruik, de emotionele instabiliteit en de beperkte coping van verdachte vergroten de kans op terugval in delictgedrag. Er is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden en er bestaat een delictpatroon aangaande vermogensdelicten en verwervingscriminaliteit. Door de kwetsbare psychische situatie van verdachte en zijn geringe motivatie voor ambulante hulpverlening is een gestructureerd kader noodzakelijk om het delict gedrag te beperken.
Verdachte is reeds onder reclasseringstoezicht geplaatst, maar de ambulante behandeling is niet van de grond gekomen. In de afgelopen maanden is geprobeerd verdachte te motiveren voor de behandeling en heeft hij diverse kansen gehad om aan zijn problematiek te werken. Dit bleek niet haalbaar, omdat zijn middelengebruik, psychische problemen en gebrek aan stabiliteit een traject in de weg stonden. Ondanks de ingezette interventies blijft verdachte delicten plegen. De ISD-maatregel is volgens de reclassering dan ook de enige passende mogelijkheid om verdachte te stabiliseren en hulpverlening en behandeling te bieden. Verdachte staat niet open voor een klinische opname binnen een regulier toezicht, maar richt zich volledig op de ISD-maatregel. Deze maatregel sluit volgens verdachte beter aan bij zijn behoefte aan structuur.
De deskundige, tevens toezichthouder van verdachte, [deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor ten minste tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezen verklaarde feit.
Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Eerder opgelegde straffen en het reclasseringstoezicht hebben niet geleid tot het terugdringen van recidive. Zoals in het reclasseringsrapport omschreven, blijkt een ambulant kader onvoldoende toereikend te zijn. Er zijn geen mogelijkheden meer voor het inzetten van interventies binnen een voorwaardelijk kader. Daarnaast heeft verdachte de kans die hem de vorige keer is geboden niet benut, zodat de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat een ambulant kader toereikend zal zijn. Bovendien heeft verdachte zelf ter terechtzitting aangegeven graag meer structuur te willen in zijn leven en de ISD-maatregel als een kans te zien om met een schone lei te beginnen.
In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie volgen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar.
Om optimaal te kunnen werken aan het terugdringen van recidive en de problematiek van verdachte en de maatschappij te beschermen, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, zal om die reden niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.
8. Beslag
Ten aanzien van zaak A
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
18 STK Kleding (G6709896).
Het oordeel van de rechtbank
Deze goederen zijn aangetroffen onder verdachte bij zijn aanhouding. De rechtbank zal bepalen dat de goederen aan de daartoe rechthebbende moeten worden teruggegeven.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

9.1.
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/002154-25
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 6 januari 2025 van de politierechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/002154-25
.Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek, waarvan 2 weken voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is tenuitvoerlegging niet opportuun.
9.2.
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/052457-25
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 20 februari 2025 van de politierechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/052457-25. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen met aftrek, waarvan 18 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is tenuitvoerlegging niet opportuun.
9.3.
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/080037-24
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 24 mei 2024 van de politierechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/080037-24
.Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, en een proeftijd van 2 jaren, met aftrek.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is tenuitvoerlegging niet opportuun.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A
-
Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3: telkens: diefstal
Ten aanzien van zaak B
-
Diefstal, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Gelast de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon:
18 STK Kleding (G6709896).
Wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met de parketnummers 13/002154-25, 13/052457-25 en 13/080037-24 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]