ECLI:NL:RBAMS:2025:10875

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
81/270294-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verboden gewasbestrijdingsmiddelen en de gevolgen voor de rechtspersoon

Op 6 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die beschuldigd werd van het in voorraad hebben van verboden gewasbeschermingsmiddelen. De zaak werd behandeld door een meervoudige economische kamer en vond plaats na terechtzittingen op 9 en 23 oktober 2025. De officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, vorderde een geldboete van € 10.000,-, terwijl de verdediging pleitte voor een voorwaardelijke boete, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde feit bewezen kon worden, mede op basis van de bekennende verklaring van de bestuurder van de verdachte. De rechtbank achtte de redelijke termijn niet geschonden en legde uiteindelijk een geldboete van € 5.000,- op, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden van de verdachte. De rechtbank benadrukte dat het gebruik van verboden gewasbeschermingsmiddelen risico's met zich meebrengt voor mens, dier en milieu, en dat strenge regels zijn geschonden. De uitspraak is gedaan op basis van verschillende wettelijke voorschriften, waaronder het Wetboek van Strafrecht en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/270294-23
Datum uitspraak: 6 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
gevestigd op het adres [adres]
(hierna: verdachte)

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2025 en 23 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.S. de Weijer en van wat [medeverdachte 1] , bestuurder van verdachte, en zijn raadsman mr. J. Keekstra naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten [bedrijf 1] (81/270266-23), [bedrijf 2] 81/101577-22), [medeverdachte 1] (81/269467-23), [medeverdachte 2] (81/269726-23) en [medeverdachte 3] (81/311201-23). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 16 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen
- 7, althans één of meer flacon(s) Input 460 EC en/of
- 2, althans één of meer (aangebroken) flacon(s) Match 12821N,
althans (een) niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel(en) voorhanden en/of op voorraad heeft gehad op het adres [adres] ;

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is - gelet op de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de bestuurder van verdachte - van oordeel dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:
zij op 16 september 2022 te [plaats] ,
- 7, flacons Input 460 EC en
- 2, aangebroken flacons Match 12821N,
op voorraad heeft gehad op het adres [adres] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen en rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en voorts met de aard en de hoedanigheid van de verdachte als rechtspersoon en haar draagkracht.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van een aantal flacons gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland zijn verboden. Het gebruik van deze gewasbeschermingsmiddelen is niet zonder risico. Zeker als sprake is van verkeerd gebruik kan dat risico’s en gevaren inhouden voor mens, dier en milieu. Om die gevaren in te dammen zijn op Europees niveau strenge regels gemaakt die door verdachte zijn geschonden. Verdachte had ervoor zorg moeten dragen dat deze middelen met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften zouden zijn afgevoerd.
Uit de justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 8 september 2025 blijkt dat de rechtspersoon in 2015 is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- voor het overtreden van milieuvoorschriften.
Redelijke termijn
Anders dan de verdediging acht de rechtbank de redelijke termijn niet geschonden. Gelet op de omvang van het onderzoek en het verloop van het onderzoek in de andere zaken die gelijktijdig met deze zaak worden behandeld, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn. Het is uit proceseconomisch oogpunt redelijk dat ervoor is gekozen deze zaak niet apart aan de rechtbank voor te leggen. De rechtbank heeft bij de strafoplegging wel rekening heeft gehouden met het tijdsverloop tussen de datum van het gepleegde feit en dit vonnis.
De straf
De rechtbank ziet aanleiding om naar beneden toe af te wijken van de eis van de officier van justitie. Bij de bepaling van hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Een geheel voorwaardelijke straf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Alles afwegende acht de rechtbank een geldboete van € 5.000,- passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 23, 51 van het Wetboek van Strafrecht
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten
- 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
- 55 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
geldboetevan
€ 5.000,-(vijfduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en M. Nieuwenhuijs rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2025.
[…]
[…]