ECLI:NL:RBAMS:2025:10871

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13-260658-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op grond van artikel 12 OLW in verband met verdedigingsrechten

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 31 december 2025 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de District Court of Legnica in Polen. De rechtbank heeft de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd op basis van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW). In een eerdere tussenuitspraak op 17 december 2025 had de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, en over de weigeringsgrond met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in verband met Duitse veroordelingen. De rechtbank stelde vast dat er geen antwoorden waren ontvangen op een gestelde vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, waardoor niet kon worden beoordeeld of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten had kunnen uitoefenen. De rechtbank concludeerde dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moest worden geweigerd, en er was geen reden om van deze weigering af te zien. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman en een tolk. De rechtbank heeft ook de overleveringsdetentie opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-260658-25
Datum uitspraak: 31 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 6 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 april 2017 door
the District Court of Legnica - III Criminal Department (Sąd Okręgowy w Legnicy - III Wydzial Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 3 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2] Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De tussenuitspraak van 17 december 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het dossier aan te vullen met informatie over de vraag of de opgeëiste persoon ten aanzien van de Duitse veroordelingen zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. [3]
De zitting van 31 december 2025
De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - voortgezet in gewijzigde samenstelling op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Jonker, waarnemend voor mr. M. de Klerk, beiden advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraak van 17 december 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), deels over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (paragraaf 4), en over de strafbaarheid van het feit (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 17 december 2025. [4] De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen dat de Duitse veroordelingen van 17 december 2014 (
case ref. 7Cs170Js42176/14) en 28 mei 2025 (
case ref. 14Cs 170Js12077/15) mede aanleiding zijn geweest voor de beslissing tot tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij de beslissing van
the Regional Court of Legnicavan 14 november 2016. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat deze Duitse veroordelingen onder de reikwijdte van artikel 12 OLW vallen. De rechtbank beschikte echter niet over de voor deze toets benodigde informatie, zodat op dat moment niet kon worden beoordeeld of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedures die tot de Duitse veroordelingen hebben geleid, in acht zijn genomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en gelijk geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het dossier aan te vullen met informatie over de vraag of de opgeëiste persoon ten aanzien van de Duitse veroordelingen zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
In een mailbericht van 18 december 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), onder verwijzing naar de tussenuitspraak, de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
“Could you fill in and return the model form of section D included as an annex to this email with regard to the judgements of the Courts in Germany (judgement of 17.12.2014, case ref. 7Cs170Js42176/14 and the jjudgement of 28.05.2015, case ref. 14Cs 170Js12077/15) by which Mr. [de opgeëiste persoon] was convicted of these new criminal offences?”
4.2
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er geen antwoorden zijn ontvangen op de gestelde vraag, zodat niet kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon ten aanzien van de Duitse veroordelingen zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank is dan ook met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De rechtbank ziet geen reden om van weigering af te zien in deze zaak.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 van de Overleveringswet.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court of Legnica - III Criminal Department (Sąd Okręgowy w Legnicy - III Wydzial Karny), Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
HEFT OPde overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 17 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10140.
4.Rb. Amsterdam 17 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10140.