In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 16 december 2025 een beslissing genomen over de vordering van de officier van justitie tot verpleging van overheidswege van een terbeschikkinggestelde. De terbeschikkinggestelde, geboren in 1997 in Zaïre en thans verblijvende in detentie, was eerder ter beschikking gesteld met voorwaarden na bewezenverklaring van verschillende geweldsdelicten, waaronder mishandeling van een ambtenaar en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De terbeschikkingstelling ging in op 19 juni 2025, maar de terbeschikkinggestelde heeft zich niet gehouden aan de opgelegde voorwaarden, wat leidde tot de vordering van de officier van justitie op 3 november 2025.
De rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie gehoord tijdens de openbare zitting op 2 december 2025. Ook is een reclasseringswerker als deskundige gehoord. De reclassering heeft geadviseerd om de terbeschikkingstelling om te zetten naar terbeschikkingstelling met dwangverpleging, gezien de hoge risico's op recidive en de onwil van de terbeschikkinggestelde om zich aan de voorwaarden te houden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de terbeschikkinggestelde zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden en dat de behandelrelatie met de kliniek ernstig is geschaad.
De rechtbank concludeert dat er geen reële kans van slagen is voor een nieuwe behandeling binnen hetzelfde kader, gezien de langdurige psychiatrische en justitiële voorgeschiedenis van de terbeschikkinggestelde. De rechtbank heeft daarom de vordering van de officier van justitie toegewezen en bevolen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Deze beslissing is openbaar uitgesproken en er staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.