ECLI:NL:RBAMS:2025:10760

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13/192451-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag met mes tijdens confrontatie

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 23 juni 2025 in Amsterdam betrokken was bij een steekpartij. De verdachte heeft tijdens een confrontatie met de aangever, [benadeelde partij], meerdere keren met een mes gestoken, wat leidde tot ernstige verwondingen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aanvaard. De verdediging voerde aan dat er sprake was van noodweer en dat de verdachte niet strafbaar was. De rechtbank oordeelde echter dat, hoewel er een noodweersituatie was, de reactie van de verdachte niet proportioneel was. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan poging tot doodslag, maar dat hij niet strafbaar was vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces. De verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen straf of maatregel aan de verdachte werd opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/192451-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte](hierna te noemen: verdachte),
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.R. Rommy, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] en van hetgeen door mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam, namens hem, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, ten laste gelegd dat hij zich op 23 juni 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
primaireen poging doodslag jegens [benadeelde partij] ,
subsidiairten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [benadeelde partij] . Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden door de aangever met een mes in het achterhoofd, de rug, de schouders en het been te steken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te
worden van het primair tenlastegelegde, omdat er geen aanmerkelijke kans heeft bestaan op het intreden van de dood. Het mes heeft een betrekkelijk kort lemmet en de letselverklaring biedt te weinig aanknopingspunten voor de conclusie dat er een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op 23 juni 2025 kreeg de politie een melding dat er een steekpartij had plaatsgevonden bij het [adres 2] te Amsterdam. Bij deze steekpartij heeft de aangever, [benadeelde partij] , steekverwondingen opgelopen aan zijn achterhoofd, rug, linker bovenbeen, oor en beide schouders. De aangever heeft verklaard dat er een woordenwisseling plaatsvond tussen hem en verdachte en dat er toen een blikje naar verdachte is gegooid. Verdachte werd daardoor boos en kwam op de aangever afgelopen. De aangever en verdachte zijn toen in een worsteling terecht gekomen. De aangever voelde nattigheid aan zijn hoofd en voelde dat zijn kleding nat was geworden.
Getuige [getuige 1] verklaart dat zij geschreeuw hoorde en zag dat de aangever op de grond lag. Zij heeft ook gezien dat verdachte de aangever op een gekke manier, een soort van bovenhands, op zijn rug heeft geslagen. Ook getuige [getuige 2] verklaart over de woordenwisseling tussen de aangever en verdachte. Hij zag dat verdachte in de richting van de aangever liep en dat verdachte op dat moment een schroevendraaier of mes in zijn hand had waarmee hij stekende bewegingen maakte richting het lichaam van de aangever. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn sleutelbos, waar een dozenopener aan zat, heeft gepakt en wild met zijn armen bewoog en de aangever heeft geslagen terwijl hij de dozenopener in zijn hand had.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte op 23 juni 2025 in Amsterdam de aangever, [benadeelde partij] , in zijn rug, achterhoofd, linkerbeen, oor en schouders heeft gestoken.
Opzet op de dood
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte - al dan niet in voorwaardelijke vorm - opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, waarmee sprake zou zijn van een poging tot doodslag. Naar het oordeel van de rechtbank is er in ieder geval sprake geweest van voorwaardelijk opzet aan de kant van verdachte. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier primair ten laste gelegd de dood van de aangever - is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in ieder geval moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt, in het licht van bovenstaand kader, dat het met een mes steken in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel oplevert bij de aangever. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij het steken met een mes in de rug of het (achter)hoofd de aanmerkelijke kans bestaat dat letsel wordt veroorzaakt dat tot de dood kan leiden. Dit wordt ook bevestigd in de letselverklaring. Hieruit blijkt namelijk dat er bij de aangever meerdere steekverwondingen zijn geconstateerd op zijn rug. Bovendien heeft één van de steekverwondingen bij de aangever aan de linkerkant een traumatische pneumothorax (klaplong) veroorzaakt. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte met kracht heeft gestoken en daarmee een diepe wond heeft veroorzaakt. De politie heeft het mes waarmee de aangever is gestoken inbeslaggenomen en onderzocht en gebleken is dat het lemmet van het mes 6,2 centimeter was.
Verdachte heeft met dat mes meermalen in de rug, het hoofd, het linkerbeen en beide schouders van de aangever gestoken, waarbij een reële kans bestond dat hij de aangever dodelijk zou raken. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, namelijk het maken van wilde en ongecontroleerde stekende bewegingen met een mes richting onder meer de rug en het hoofd, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande, bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage 2vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte
op 23 juni 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [benadeelde partij] meermalen, met een mes, in de schouder en het achterhoofd en het oor en de rug en het been, heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

6.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een noodweersituatie, maar dat de verdediging niet proportioneel is geweest. De officier van justitie vindt dat, gelet op de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging, verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweer. Ondanks het feit dat er sprake is van een verschil tussen het geweld dat aangever en verdachte hebben gebruikt – het gebruik van een scooterhelm versus het gebruik van een mes – stelt de verdediging zich op het standpunt dat het handelen van verdachte de grenzen van de proportionaliteit niet overschrijdt. Hierbij is van belang dat er doodsbedreigingen zijn geuit naar verdachte voordat hij met een helm werd geslagen.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat voor zover het handelen van verdachte de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, dit het directe gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging, welke werd veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, waardoor verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
De rechtbank overweegt dat aan de hand van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er jegens de verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de aangever hem vasthield en dat hij toen door de aangever meermalen op zijn hoofd is geslagen met een scooterhelm. Verdachte verklaart ook dat de aangever, voorafgaand aan het slaan met de scooterhelm, een waterfles naar hem heeft gegooid en een blikje Redbull in zijn gezicht heeft gegooid. Daarbij heeft de aangever gezegd tegen een vriend dat hij een pistool moest gaan halen en tegen verdachte gezegd: “homo, je gaat vandaag dood”. Verdachte heeft verklaard dat hij toen, om zichzelf te verdedigen, zijn sleutelbos waaraan een dozenopener zat pakte en de aangever, met de dozenopener in zijn hand, heeft geslagen. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte door de aangever op zijn hoofd is geslagen met een scooterhelm. [getuige 1] zag ook dat verdachte bloed op zijn hoofd had.
Dit samenstel van feiten kan naar het oordeel van de rechtbank als een ogenblikkelijke aanranding worden gezien waartegen verdachte zich mocht verdedigen.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank voorts van oordeel dat de aangever de confrontatie met verdachte heeft gezocht door hem een blikje Red Bull in het gezicht te gooien en doordat verdachte werd vastgehouden door de aangever en verdachte door de aangever op zijn hoofd is geslagen met een scooterhelm. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet van verdachte kon worden verlangd dat hij zich zou onttrekken aan de confrontatie met de aangever. Omdat het voor verdachte noodzakelijk was om zich tegen de aanranding te verdedigen, was er sprake van een noodweersituatie.
De volgende vraag is dan of de gekozen reactie van verdachte een proportionele reactie was op de aanranding van de aangever. Het komt er bij een beroep op noodweer op aan of de reactie van verdachte in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het toebrengen van meerdere steekwonden in onder meer de rug en het achterhoofd, met mogelijk dodelijk letsel tot gevolg, niet in redelijke verhouding staat tot de aanranding van verdachte door de aangever. Dat betekent dat aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Noodweerexces
Noodweerexces komt in beeld bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, dus wanneer aan alle eisen van noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de disproportionele gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding. Daaruit volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.
De rechtbank acht aannemelijk geworden dat de doodsbedreigingen voorafgaand aan en de daadwerkelijke verwezenlijking van het geweld, bij verdachte een gemoedsbeweging van forse intensiteit hebben teweeggebracht. Daarbij komt dat uit het Pro Justitia onderzoek van 16 september 2025 is gebleken dat verdachte in zijn geboorteland is neergeschoten en ook zijn toenmalige partner op straat is doodgeschoten, waarbij verdachte het vermoeden heeft dat dit is gebeurd vanwege hun homoseksualiteit. De psycholoog heeft in het Pro Justitia onderzoek geconstateerd dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van PTSS in remissie. De psycholoog omschrijft dat verdachte getriggerd kan raken door associaties die herinneringen oproepen. Dit is van invloed op het denken en handelen van verdachte in een acute gevaarlijke situatie. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanwege de hiervoor beschreven traumatische gebeurtenissen in paniek raakte. In die paniek, ontstaan door de wederrechtelijke aanranding van de aangever, wilde verdachte zichzelf verdedigen en heeft hij slaande bewegingen gemaakt met een sleutelbos met het mes eraan in zijn handen, waarbij de aangever is geraakt.
Hieruit volgt dat de rechtbank het aannemelijk vindt dat er sprake was van een noodweersituatie, waarbij er bij verdachte sprake was een hevige gemoedsbeweging, die een direct gevolg was van de wederrechtelijke aanranding, waardoor verdachte in zijn verdediging verder is gegaan dan geboden. Het beroep op noodweerexces slaagt. Verdachte is daarom niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Omdat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, kan aan hem geen straf worden opgelegd.

7.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- een mes (goednummer: G6673740).
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen mes moet worden verbeurdverklaard, omdat met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het inbeslaggenomen
mes.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het inbeslaggenomen mes niet kan worden verbeurdverklaard, omdat verbeurdverklaring een sanctie is en aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Bovendien kan het mes ook niet worden onttrokken aan het verkeer, omdat het mes niet van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal daarom de teruggave gelasten, aan [verdachte] , van:
- een mes (goednummer: G6673740).
8. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , heeft zich schriftelijk in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 985,22, (negenhonderdvijfentachtig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit materiële schade en een bedrag van € 37.000,- (zevenendertigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Uit artikel 361 lid 2 sub a van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering indien aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd. Aangezien aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en ook geen sprake is van de overige in dat artikel genoemde omstandigheden, wordt de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,voor het bewezene niet strafbaar en
ontslaat hem van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Beslag
Gelast de
teruggaveaan [verdachte] , van de volgende voorwerpen:
- een mes (goednummer: G6673740)
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
Verklaart de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , niet ontvankelijk.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en N.T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
[…]

1.[…]