ECLI:NL:RBAMS:2025:10756

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-091544-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot de Poolse nationaliteit en detentieomstandigheden

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Regional Court in Wrocław, Polen. De zaak is gestart op 25 november 2025, waarbij de opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1996, aanwezig was met haar raadsman, mr. A. Kilinç. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak op basis van de Overleveringswet (OLW) met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding bevolen, maar deze schorsing tot aan de uitspraak. Tijdens de zitting op 10 december 2025 is de behandeling hervat in gewijzigde samenstelling met officier van justitie mr. A.L. Wagenaar. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon bevestigd en de detentieomstandigheden in Polen beoordeeld. De raadsman heeft betoogd dat de IND onvolledige informatie heeft verstrekt over de gevolgen van een mogelijke veroordeling in Polen, terwijl de officier van justitie stelde dat de overlevering niet afhankelijk kan worden gemaakt van een terugkeergarantie. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat niet aan de tweede voorwaarde van artikel 6 OLW is voldaan. De rechtbank heeft uiteindelijk de overlevering toegestaan, maar zonder de terugkeergarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-091544-25
Datum uitspraak: 10 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 23 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2019 door de
Regional Court in Wrocław,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 25 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 3 december 2025
In de tussenuitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) op te vragen en bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een terugkeergarantie op te vragen.
Zitting van 10 december 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 10 december 2025 – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 3 december 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en over de toetsing aan artikel 11 OLW met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is deels geoordeeld over artikel 6 OLW, namelijk of aan de eerste voorwaarde tot gelijkstelling is voldaan. Wat de rechtbank over deze onderwerpen heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De tweede voorwaarde
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat aan de IND een onvolledige, ten aanzien van de in Nederland verwachte strafeis onjuiste en heel summiere voorstelling van de feiten en persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon is voorgelegd waardoor de inschatting over het mogelijke verlies van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon als gevolg van een eventueel in Polen aan haar op te leggen straf of maatregel voor de in het EAB genoemde strafbare feiten, onjuist is. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [4] – de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, ondanks het advies van de IND ende overlevering van de opgeëiste persoon afhankelijk te maken van deze terugkeergarantie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkstellingsverweer niet slaagt zodat de overlevering niet afhankelijk kan worden gemaakt van de terugkeergarantie. Uit het IND-advies blijkt dat verlies van het verblijfsrecht, na een eventuele veroordeling in Polen voor de in het EAB omschreven feiten, in beginsel mogelijk is en daarmee niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 6, eerste lid, OLW. De IND beoordeelt aan de hand van het openbare orde criterium of de strafbare
gedragingeen actuele bedreiging vormt voor de samenleving en niet zozeer aan de hand van de strafeis die het OM zou formuleren. Daarmee kan worden uitgegaan van het IND-advies. Nu niet aan deze tweede voorwaarde is voldaan, hoeft niet te worden geoordeeld over de terugkeergarantie.
Oordeel van de rechtbank
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet haar recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van
8 december 2025, die weliswaar op summiere maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende informatie voor een advies in dit kader is gebaseerd, volgt dat de IND verblijfsbeëindiging voor de opgeëiste persoon mogelijk acht.
De rechtbank constateert op basis hiervan dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland zal verliezen. Aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is dus niet voldaan, zodat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank kan daarom de overlevering van de opgeëiste persoon niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.

5.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Wrocław,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.