Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De zaak begon met een vordering van de officier van justitie op 22 september 2025 om het EAB in behandeling te nemen. De opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1983, werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Kilinç, en een tolk in de Poolse taal. Tijdens de zitting op 25 november 2025 werd de termijn voor de uitspraak verlengd en werd de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak. In een tussenuitspraak op 3 december 2025 werd het onderzoek heropend om de officier van justitie de kans te geven om een advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) op te vragen en een terugkeergarantie te verkrijgen van de Poolse autoriteiten. Op 10 december 2025 werd de behandeling hervat in gewijzigde samenstelling. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander, omdat niet voldaan was aan de tweede voorwaarde van artikel 6 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon mogelijk zijn verblijfsrecht in Nederland zou verliezen na een veroordeling in Polen, waardoor de overlevering niet afhankelijk kon worden gemaakt van een terugkeergarantie. Uiteindelijk werd de overlevering toegestaan, en de rechtbank sprak haar beslissing uit in het openbaar.