ECLI:NL:RBAMS:2025:10744

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13/230242-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met bedreiging in supermarkt te Aalsmeer

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 31 augustus 2025 een supermarkt in Aalsmeer heeft overvallen. De verdachte, geboren in 2006 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, heeft met een mes gedreigd en een geldbedrag van ongeveer €355,- weggenomen. De rechtbank heeft het vonnis gewezen na een terechtzitting op 5 december 2025, waar de officier van justitie, mr. J. Krijger, de bewezenverklaring van het feit heeft geëist. De verdachte heeft het feit bekend, en de verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte schuldig is aan diefstal met bedreiging, en heeft hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij, de supermarkt, gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €5.047,31, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de omstandigheden van de verdachte in overweging genomen bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/230242-25
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2006,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [P.I.] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. Drummen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 augustus 2025 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, ongeveer €355,-, in elk geval enig geldbedrag en/of goed, dat/die geheel of ten dele aan de supermarkt [naam supermarkt] (gelegen aan het [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- ( in gezichtsbedekkende kleding) en een mes in zijn hand de voornoemde supermarkt in te lopen, en/of
- het mes in de richting van die [aangever 1] te brengen/houden en/of (vervolgens) "open de la, ik wil geld. Geef mij geld. Geld, geld, geld.", althans woorden van gelijke strekking, te roepen, en/of
- het mes in de richting van die [aangever 2] te brengen en/of met dat mes in de richting van die [aangever 2] te zwaaien, en/of
- het geld uit de kassalade te pakken/grijpen en/of (vervolgens) weg te lopen/rennen.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, te weten:
1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025218812-12 van 31 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 4.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025218812-9 van 31 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 27.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht – op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen – bewezen dat verdachte:
op 31 augustus 2025 te Aalsmeer, €355,- dat aan de supermarkt [naam supermarkt] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- ( in gezichtsbedekkende kleding) en een mes in zijn hand de voornoemde supermarkt in te lopen en
- het mes in de richting van die [aangever 1] te brengen/houden en (vervolgens) "open de la, ik wil geld. Geef mij geld. Geld, geld, geld.", althans woorden van gelijke strekking, te roepen en
- het mes in de richting van die [aangever 2] te brengen en met dat mes in de richting van die [aangever 2] te zwaaien, en
- het geld uit de kassalade te pakken/grijpen en (vervolgens) weg te lopen/rennen.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden met aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een aanzienlijk deel van de geëiste gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen gelet op de jonge leeftijd van verdachte, zijn blanco documentatie en het feit dat zijn familie niet in Nederland woont.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft een medewerker en een klant van een supermarkt dreigend een mes getoond en vervolgens geld uit de kassalade weggenomen. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, waarmee hij angst, schade en gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt. Het kennelijke gemak waarmee verdachte het misdrijf heeft beraamd en vervolgens daadwerkelijk is overgegaan tot de uitvoering ervan baart de rechtbank zorgen. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor anderen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verdachte is in [geboorteland] evenmin veroordeeld, zo volgt uit door het Openbaar Ministerie opgevraagde gegevens.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 3 december 2025, opgemaakt door [reclasseringmedewerker] . Hieruit volgt onder andere dat sprake is van een instabiele financiële situatie en problematisch gokgedrag. Geadviseerd wordt om het volwassenenstrafrecht toe te passen, nu verdachte niet ontvankelijk lijkt te zijn voor pedagogische beïnvloeding. Verdachte is kort in Nederland en maakt beperkt aanspraak op sociale voorzieningen. Bovendien lijkt verdachte zijn baan als prioriteit te zien, waardoor de inschatting is dat hij niet op afspraken zal verschijnen. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheden om met interventies het als gemiddeld ingeschatte recidiverisico te beperken en adviseert geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit de rapporten en ter zitting naar voren is gekomen, alsook de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting.
Een gewapende overval is een ernstig feit waarop niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De LOVS-oriëntatiepunten nemen als uitgangspunt voor een overval op een winkel waarbij met geweld is gedreigd een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. De rechtbank weegt de jeugdige leeftijd en de blanco documentatie in het voordeel van verdachte mee. Alles overwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van voorarrest, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
276,90 EUR (6704611);
rookwaar (6704485);
rookwaar (6704484);
handschoen (6704826);
handschoen (6704552);
fiets (6704482);
fietssleutel (6704609).
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal ten aanzien van het onderstaande voorwerp teruggave aan de rechthebbende gelasten, te weten [naam supermarkt] :
276,90 EUR (6704611).
Teruggave aan verdachte
De rechtbank zal ten aanzien van de onderstaande voorwerpen teruggave aan verdachte gelasten:
2. rookwaar (6704485);
3. rookwaar (6704484).
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De rechtbank zal ten aanzien van de onderstaande voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten:
4. handschoen (6704826);
5. handschoen (6704552);
6. fiets (6704482);
7. fietssleutel (6704609).

9.Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [naam supermarkt] , vordert € 10.051,10 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voornoemd bedrag bestaat uit € 355,- aan weggenomen geld uit de kassa (de buit), € 288,- aan kosten van een bespreking met de medewerker, € 8.438,89 aan omzetderving en € 969,21 aan kosten van organisatie D.O.E.N. in het kader van de verwerking van de bedreigde medewerker.
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
Buit
Onder verdachte is een bedrag van € 276,90 in beslag genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit een restant betreft van de buit van € 355,-. Het bedrag van € 276,90 zal, overeenkomstig hiervoor is overwogen, worden teruggegeven aan de benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat het resterende bedrag van € 78,10 voor vergoeding in aanmerking komt en wijst de vordering voor dat deel toe. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de buit voor het meerdere af.
Bespreking
De benadeelde partij zal voor het deel ten aanzien van de kosten van de bespreking niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdachte heeft dit deel van de vordering betwist. De behandeling levert voor dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.
Omzetderving
Als gevolg van het handelen van verdachte moest de supermarkt tijdelijk sluiten voor politieonderzoek. Dat de supermarkt hierdoor schade heeft geleden is evident. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten deze gevorderde schade gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank maakt daarbij gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek) omdat de omvang van de geleden schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Er wordt immers gederfde omzet gevorderd, maar in het algemeen geldt in een situatie als deze dat de gederfde winst als schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij komt dat de omzet die op 31 augustus 2025 is gedraaid tot het moment van de overval, niet in mindering gebracht op de gevorderde omzetderving, die is gebaseerd op de gemiddelde omzet van de winkel op meerdere zondagen. De rechtbank schat – alles afwegend - de winstderving door de overval op € 4.000,-. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze post voor het meerdere afwijzen.
Organisatie D.O.E.N.
De gevorderde schadevergoeding voor de kosten van organisatie D.O.E.N. is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal ten aanzien van de kosten van organisatie D.O.E.N. volledig worden toegewezen.
Conclusie
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 5.047,31, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2025.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
20 (twintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag
Gelast de teruggave aan rechthebbende:
276,90 EUR (6704611).
Gelast de teruggave aan verdachte:
  • rookwaar (6704485);
  • rookwaar (6704484).
Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende:
  • handschoen (6704826);
  • handschoen (6704552);
  • fiets (6704482);
  • fietssleutel (6704609).
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [naam supermarkt] , gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.047,31 (vijfduizend zevenenveertig euro en eenendertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam supermarkt] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering ten aanzien van de buit en de omzetderving voor het meerdere af.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van de bespreking niet-ontvankelijk.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam supermarkt] aan de Staat € 5.047,31 (vijfduizend zevenenveertig euro en eenendertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.J.M. Kruizinga, voorzitter,
mrs. M. Smit en B. Vogel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.