KBM en gedaagden sloten op 1 september 2021 een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een appartement in een gebouw. De aanneemsom van €348.120,00 werd in negen termijnen gefactureerd. Gedaagden betaalden niet alle termijnen volledig, waardoor een bedrag van €133.894,00 openbleef. KBM vorderde dit bedrag, vermeerderd met rente, incassokosten en beslagkosten.
Gedaagden erkenden de vordering grotendeels en stelden betalingsonmacht wegens vastzittend vermogen in vastgoed. Zij wilden betalen zodra hun woning verkocht was. De rechtbank oordeelde dat KBM een spoedeisend belang had en dat de vordering voldoende aannemelijk was voor toewijzing in kort geding.
De rechtbank wees de geldvordering toe, met uitzondering van incassokosten die dubbel werden gevorderd. De contractuele rente werd vervangen door de wettelijke rente vanaf het moment van verzuim. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten toegewezen. Gedaagden werden veroordeeld tot betaling binnen veertien dagen, met veroordeling in proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.