ECLI:NL:RBAMS:2025:10706

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/250034-25 (zaak A) 13/223150-25 (zaak B), 13/275007-25 (zaak C) (ter terechtzitting gevoegd), 13/075721-25 (TUL) en 13/181319-25 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belediging van ambtenaren, bedreiging met misdrijf tegen het leven en overtreding van verblijfsverbod

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten. De verdachte is veroordeeld voor tweemaal belediging van ambtenaren in functie, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en het overtreden van een verblijfsverbod. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht in zaak A onder 1, omdat de aangifte niet door ander bewijs werd ondersteund. Voor zaak A onder 2 is de ISD-maatregel opgelegd, terwijl voor de overige zaken geen straf of maatregel is opgelegd. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte werd vrijgesproken van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van eerdere veroordelingen afgewezen, omdat de ISD-maatregel werd opgelegd. De beslissing is genomen na een zorgvuldige afweging van de feiten, de omstandigheden van de verdachte en de adviezen van deskundigen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/250034-25 (zaak A) 13/223150-25 (zaak B), 13/275007-25 (zaak C) (ter terechtzitting gevoegd), 13/075721-25 (TUL) en 13/181319-25 (TUL)
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [P.I.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.H.W. van der Lee, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [deskundige 1] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [slachtoffer] en van hetgeen door [naam] namens haar naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
ten aanzien van zaak A:
bedreiging van [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 21 september 2025;
belediging van ambtenaren in functie, [aangever 1] en [aangever 2] op 21 september 2025;
bedreiging van [aangever 1] en [aangever 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht op 21 september 2025;
ten aanzien van zaak B:
overtreden van een gebiedsverbod op 13 augustus 2025;
ten aanzien van zaak C:
belediging van ambtenaren in functie, [aangever 3] en [aangever 4] op 24 mei 2025;
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Ten aanzien van de overige feiten heeft zij zich op het standpunt gesteld dat deze bewezen kunnen worden. Tot slot heeft zij verzocht ten aanzien van zaak A onder 2 verdachte partieel vrij te spreken van het discriminatoir oogmerk.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit, omdat voor de bedreiging geen ondersteunend bewijs is.
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde heeft zij verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het discriminatoir oogmerk. Ten aanzien van de overige feiten heeft zij geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde:
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in zaak A
onder 1 tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat de aangifte van [slachtoffer] niet door een ander bewijsmiddel wordt ondersteund. Daarom spreekt de rechtbank verdachte daarvan vrij.
4.3.2.
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 en 3 en zaak C tenlastegelegde
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de in zaak A onder 2 en 3 en zaak C tenlastegelegde feiten heeft begaan. De overtuiging is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat.
Partiële vrijspraak
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte het feit met een discriminatoir oogmerk heeft gepleegd. Verdachte zal voor dat onderdeel worden vrijgesproken.
4.3.3.
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde
Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit,
volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin
van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en
omstandigheden vervat in de inhoud van:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2025202472-2 van 13 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 15 en 16 (dig.);
een brief, met bijlagen inzake een verblijfsverbod voor de duur van drie maanden, geldig van 14 juni 2025 tot en met 13 september 2025, opgemaakt door de Directie Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Amsterdam, doorgenummerde pagina’s 18 t/m 24 (dig);
een proces-verbaal van uitreiking met nummer PL1300-2025127144-5 van 15 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina 35 (dig.).
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.3 en in
bijlage IIvervatte
bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van zaak A onder 2
op 21 september 2025 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten [aangever 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [aangever 2] (werkzaam als agent bij de Eenheid Amsterdam) in het openbaar mondeling heeft beledigd,
door hun de woorden toe te voegen:
"Je kankerhoofd" en
"Kankerlijers" en
"Jullie zijn homo's" en
"Kankerpolitie",
terwijl deze belediging werd aangedaan aan ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening;
ten aanzien van zaak A onder 3
op 21 september 2025 te Amsterdam [aangever 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [aangever 2] (werkzaam als agent bij de Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 1] en/of [aangever 2] de woorden toe te voegen:
"Ik ga jullie schieten" en
"Ik ga je hoofd eraf halen" en
"Wacht maar tot je geen uniform meer aan hebt. Dan schiet ik je door je kankerkop" en
"7mm door je oor" en
"Ik ga je kanker doodmaken",
terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [aangever 1] en [aangever 2] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;
ten aanzien van zaak B
op 13 augustus 2025 te 19:40 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
ten aanzien van zaak C
hij op 24 mei 2025 te Amsterdam, opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [aangever 3] (hoofdagent bij de eenheid Amsterdam) en [aangever 4] (hoofdagent bij de eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening,
in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: kankerpolitie.

5.5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte
onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders
(ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht dat verdachte zal worden veroordeeld tot een
onvoorwaardelijk gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft
doorgebracht met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan de ‘zachte criteria’. Subsidiair heeft zij verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Mocht de rechtbank toch een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen, dan verzoekt de raadsvrouw deze op te leggen voor de duur van één jaar in plaats van twee jaar.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich zeer agressief gedragen naar een aantal ambtenaren. Door het uiten van bedreigende woorden heeft hij een voor hen intimiderende en angstige situatie geschapen. Door zo te handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor deze ambtenaren als personen maar ook voor het werk dat zij deden in het uitoefenen van hun functie. Niet alleen kunnen bedreigingen voor de desbetreffende ambtenaren ingrijpende gevolgen hebben voor hun werkplezier en functioneren, tevens kunnen onrust en gevoelens van onveiligheid bij deze ambtenaren en binnen de samenleving in het algemeen hierdoor worden versterkt. Daarnaast heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan belediging van ambtenaren in functie. Door deze beledigingen te uiten in het openbaar, zijn de betrokken ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Verdachte heeft hiermee nogmaals getoond geen respect te hebben voor ambtenaren. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan een verblijfsverbod van 3 maanden.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 27 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt dit in
strafverzwarende zin mee.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 27 november 2025, opgemaakt door [deskundige 2] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
Verdachte is de afgelopen periode veelvuldig met justitie in aanraking geweest, voornamelijk wegens vermogensdelicten en bedreiging of belediging van een beroepsbeoefenaar. Verdachte bevindt zich in een uiterst instabiele leefsituatie. Hij is recent dakloos geraakt, heeft geen werk, heeft aanzienlijke schulden en lijkt te beschikken over een beperkt steunend netwerk. Daarnaast is sprake van overmatig alcoholgebruik. Hoewel verdachte dit erkent, is hij van mening dat het gebrek aan een huis het grootste probleem is momenteel. De afgelopen jaren heeft verdachte hulpverlening structureel gemeden, waaronder het wijkteam en zijn bewindvoerder. Ook eerdere reclasseringstoezichten zijn niet van de grond gekomen doordat hij geen contact onderhield. Hierdoor bestaat er al geruime tijd geen zicht op zijn situatie. Gelet op de vele inspanningen die al zijn verricht en het feit dat verdachte er niet in slaagt om zelfstandig tot verandering te komen, acht de reclassering een vrijwillig kader onvoldoende toereikend. De reclassering meent dat met de onvoorwaardelijke ISD-maatregel het meest passende en kansrijke traject kan worden geboden om te werken aan het stabiliseren van de leefsituatie en het behandelen van het overmatige alcoholgebruik. Binnen dit kader kunnen diagnostiek, een plan van aanpak, een (klinische) behandeling en/of een begeleid woontraject worden gerealiseerd. De onvoorwaardelijke ISD-maatregel biedt daarmee voor verdachte de beste kans op stabilisatie en duurzame gedragsverandering.
Indien verdachte niet meewerkt aan behandeling dan wel begeleiding binnen de ISD-maatregel, dan heeft de ISD-maatregel de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
De reclassering heeft overwogen om een voorwaardelijk kader of voorwaardelijke ISD-kader met een langdurige klinische opname te adviseren en heeft hier ook onderzoek naar gedaan. Na onderzoek en intercollegiaal overleg zijn zij echter tot de conclusie gekomen dat een voorwaardelijk kader onvoldoende toereikend is. Omdat verdachte kan besluiten om de kliniek te verlaten zonder dat daar een directe (voelbare) consequentie aan verbonden is, zoals bij de ISD-maatregel wel het geval is (terugplaatsing in de PI), vinden zij een dergelijk kader ontoereikend om verdachte te stabiliseren in zijn leefomstandigheden, de psychosociale- en middelenproblematiek aan te pakken en de kans op recidive terug te dringen. Daarnaast kan er, door het ontbreken van diagnostiek, nog geen zekerheid worden verschaft of de klinische opname daadwerkelijk langdurig zal zijn. Er zal eerst een diagnostiekopname van drie tot zes maanden plaatsvinden, waarna afhankelijk van de uitkomsten een plan van aanpak wordt opgesteld waaronder eventueel een langdurige klinische opname.
De deskundige, [deskundige 1] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting
bevestigd.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige, dat er geen reële alternatieven
zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te
behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ISD-maatregel voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk moet worden opgelegd. Vanwege het hoge risico op recidive en de grote kans op het onttrekken aan voorwaarden, acht de rechtbank een voorwaardelijke ISD-maatregel niet haalbaar. Door aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, kan verdachte stabiliseren in zijn leefomstandigheden, kan de psychosociale- en middelenproblematiek van verdachte worden aangepakt en de kans op recidive worden teruggedrongen. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel geen reëel alternatief om verdachte te bewegen tot gedragsverandering. Daarnaast wordt de maatschappij door oplegging van de ISD-maatregel beschermd tegen de delicten die verdachte pleegt.
Maximale termijn van twee jaren
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De problematiek van verdachte is op dit moment te complex om te kunnen volstaan met de maatregel voor de duur van één jaar. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het van belang is dat verdachte binnen het kader van de ISD-maatregel nog geruime tijd kan worden begeleid tijdens een extramurale fase.
Geen straf of maatregel
De rechtbank acht het niet opportuun om naast de ISD-maatregel voor de bewezenverklaarde feiten in zaak A onder 2, zaak B en zaak C, waarvoor verdachte strafbaar is, een straf of maatregel aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal daarom voor deze feiten toepassing geven aan artikel 9a Sr.

7.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde.

8.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13-075721-25

De rechtbank zal het Openbaar Ministerie in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2025 met parketnummer 13-075721-25, met opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes weken waarvan 3 weken voorwaardelijk, niet-ontvankelijk verklaren. Deze vordering is immers op 14 oktober 2025 toegewezen door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de strafzaak met parketnummer 02/224491-25.

9.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/181319-25

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13-181319-25 afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 184, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder 2 en zaak C:
telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van zaak A onder 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
ten aanzien van zaak B:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Legt ter zake van zaak A onder 2 op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van twee jaar.
Bepaalt dat ter zake van zaak A onder 3, zaak B en zaak C geen straf of maatregel wordt opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/075721-25
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/075721-25.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/181319-25
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/181319-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en J.C.E. Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.
[...]
[...]