ECLI:NL:RBAMS:2025:10703

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/243017-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen en voorhanden hebben van harddrugs met taakstraf en geldboete

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich op 14 september 2025 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben en vervoeren van harddrugs, waaronder heroïne en cocaïne, en aan voorbereidingshandelingen voor de handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de rechtbank bevoegd was om de zaak te behandelen. De officier van justitie, mr. P. de Haas, heeft de feiten bewezen verklaard, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pentinga, vrijspraak heeft bepleit op basis van een vermeend vormverzuim bij de fouillering van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een vormverzuim, omdat de fouillering rechtmatig was uitgevoerd. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan de tenlastegelegde feiten en heeft een taakstraf van 120 uren opgelegd, met aftrek van het voorarrest, en een geldboete van € 875,-. De rechtbank heeft ook beslist over het beslag op de in beslag genomen verdovende middelen en andere goederen, waarbij de verdovende middelen onttrokken zijn aan het verkeer en het geld aan de verdachte wordt teruggegeven. De rechtbank heeft de vordering tot gevangenneming van de officier van justitie afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/243017-25
Datum uitspraak: 5 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 september 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
het opzettelijk aanwezig hebben gehad en/of vervoeren 3,59 gram heroïne en/of 6,92 gram cocaïne en/of 9,16 gram cocaïne en/of 45,89 gram cocaïne;
het voorbereiden van het verhandelen van verdovende middelen.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Hierbij geldt het volgende.
De rechtbank leest het in de eerste regel van het onder 2 tenlastegelegde vermelde
“14 september” als “14 september 2025”, aangezien hier sprake is van een kennelijke
misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging
geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat er een last tot preventief fouilleren was en dat de verbalisanten dus rechtmatig hebben gehandeld.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er onrechtmatig gebruik is gemaakt van de bevoegdheid tot fouilleren. Hierdoor is er sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) en dient bewijsuitsluiting te volgen van de resultaten die uit het onrechtmatige optreden zijn verkregen, te weten de aangetroffen verdovende middelen. Dit dient primair te leiden tot vrijspraak en subsidiair tot strafvermindering.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vormverzuim?
De rechtbank stelt naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw omtrent de rechtmatigheid van de fouillering het volgende vast.
Op 11 september 2025 is er door de burgemeesters van Heemskerk en Beverwijk een noodbevel op grond van artikel 175 van de gemeentewet afgegeven. Dit noodbevel was van kracht van donderdag 11 september 2025 22:00 uur tot maandag 15 september 00:00 uur. Dit bevel was van kracht voor zowel Beverwijk als Heemskerk. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2025 opgemaakt door [naam 1] en [naam 2] dat er voor dit veiligheidsrisicogebied ook een last tot preventief fouilleren was afgegeven door de officier van justitie. Hoewel de rechtbank het onzorgvuldig acht dat deze last tot preventief fouilleren zich niet in het dossier bevindt, heeft de rechtbank wel de overtuiging dat deze last daadwerkelijk is afgegeven. De rechtbank constateert dat er rechtmatig gebruik is gemaakt van de bevoegdheid tot fouillering van verdachte en dat er ten aanzien van de fouillering geen sprake is van een vormverzuim. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.
De rechtbank merkt daarnaast op dat de volgorde van fouilleren en onderzoeken en op basis van welke bevoegdheden dit heeft plaatsgevonden onzorgvuldig is geverbaliseerd. Hoewel dit een vormverzuim is, is het enkele feit dat daardoor een strafbaar feit is ontdekt niet een nadeel in de zin van artikel 359a Sv. Het is immers vaste jurisprudentie dat het nadeel dat een door verdachte gepleegd strafbaar feit is ontdekt, geen rechtens te respecteren nadeel is. Enig ander in rechten wel te respecteren nadeel voor verdachte heeft de verdediging niet naar voren gebracht.
4.3.2.
Ten aanzien van feit 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan. De bewezenverklaring is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat.
Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het tweede gedachtestreepje, te weten: een of meer (grote) geldbedrag(en) voorhanden te hebben. De rechtbank is van oordeel dat het geld niet ziet op de voorbereiding van de handel van verdovende middelen, maar op de opbrengst daarvan.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op 14 september 2025 te Beverwijk, opzettelijk aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd 3,59 gram heroïne, 6,92 gram cocaïne, 9,16 gram cocaïne en 45,89 gram cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 2:
op 14 september te Beverwijk, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, van meer hoeveelheden verdovende middelen, te weten ongeveer 3,59 gram heroïne, 6,92 gram cocaïne, 9,16 gram cocaïne en 45,89 gram cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet voor te bereiden
en te bevorderen, de navolgende voorwerpen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- dealgeschikte verpakkingen met daarin hoeveelheden verdovende middelen voorhanden te hebben en
- telefoons voorhanden te hebben.

5.5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van het voorarrest, zal worden opgelegd. Daarnaast is een vordering tot gevangenneming in de strafeis opgenomen.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een taakstraf met aftrek van het voorarrest. Zij heeft hiertoe gewezen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: de LOVS-oriëntatiepunten).
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die zien
op de handel in harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt
aan het voorhanden hebben van harddrugs.
Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van gebruikers en de met drugshandel gepaard gaande keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwricht en overlast kan veroorzaken. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het reclasseringsrapport van 25 november 2025. Daarin staat onder meer beschreven dat de reclassering bij een veroordeling adviseert geen bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat verdachte heeft aangegeven maar zeer beperkt te willen meewerken en enkel aan voorwaarden die in zijn eigen voordeel werken. De voorwaarden waaraan verdachte wil meewerken zijn onvoldoende om de risico’s op recidive te minimaliseren en voldoende zicht te houden op de leefsituatie en omstandigheden van verdachte. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Straf
De rechtbank heeft gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van 50 - 100 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 150 uren. Daar komen de voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet nog bij.
De rechtbank ziet desondanks aanleiding om in het voordeel van verdachte van de oriëntatiepunten af te wijken. De rechtbank stelt vast dat het nettogewicht van het in deze zaak aangetroffen materiaal bevattende cocaïne en heroïne 65,56 gram is en dat dit aan de onderkant van voornoemde gewichtscategorie zit. Daarnaast merkt de rechtbank op dat verdachte zijn opleiding heeft afgerond en voornemens is verder te studeren. De rechtbank vindt het van belang dat verdachte deze positieve gedragsverandering doorzet.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, moet worden opgelegd. Omdat hij 65 dagen in voorarrest heeft gezeten en 1 dag gevangenisstraf wordt verrekend met 2 uur taakstraf, heeft verdachte deze straf er al op zitten. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een geldboete op van € 875,-. Dit is gelijk aan het bedrag dat onder verdachte is aangetroffen en waarop beslag is gelegd.
De rechtbank acht, gezien de straf die wordt opgelegd, geen termen aanwezig om de vordering van de officieren van justitie tot gevangenneming van verdachte toe te wijzen. De rechtbank zal die vordering dan ook afwijzen.

7.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
74 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772557);
141 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772560);
28 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772554);
25 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772555);
875,00 EUR Geld Euro (goednummer 1772537);
1 STK Personenauto (goednummer 1772536);
1 STK Telefoontoestel (goednummer 1772540);
1 STK Telefoontoestel (goednummer 1772541);
1 STK Tas (goednummer 1772542);
1 STK Pas (goednummer 1772558);
1 STK Telefoontoestel (goednummer 1772538).
De rechtbank overweegt als volgt.
Onttrekken aan het verkeer
De verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemene belang en deze middelen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Teruggave aan de verdachte
Het geld moet worden teruggegeven aan verdachte, omdat niet is gebleken dat dit is gerelateerd aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank overweegt hierbij dat hoewel het geld vermoedelijk afkomstig is uit de handel van drugs, de rechtbank niet tot verbeurd verklaring over kan gaan, gelet op de wijze waarop de handelingen zijn tenlastegelegd en bewezenverklaard. Niet kan worden vastgesteld dat het geld afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal ook de teruggave gelasten van de telefoons en personenauto. Ten aanzien van deze goederen overweegt de rechtbank dat de strafbare feiten met behulp van deze goederen zijn begaan, waardoor deze vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. De rechtbank vindt het echter, alles overziend, een te verstrekkend gevolg en een ongewenste bijkomende straf om de auto en telefoons verbeurd te verklaren.
Tenslotte zal de tas ook worden teruggeven aan verdachte.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De pas moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24c, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en l0a van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4.4
is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10, voorbereiden, door voorwerpen en
stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast
van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van
€ 875,- (achthonderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 (zeventien) dagen.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
74 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772557);
141 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772560);
28 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772554);
25 STK Verdovende Middelen (goednummer 1772555).
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
875,00 EUR Geld Euro (goednummer 1772537);
1. STK Personenauto (goednummer 1772536);
1. STK Telefoontoestel (goednummer 1772540);
1. STK Telefoontoestel (goednummer 1772541);
1. STK Tas (goednummer 1772542);
1. STK Telefoontoestel (goednummer 1772538).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
1. STK Pas (goednummer 1772558);
Vordering gevangenneming
Wijst de vordering tot gevangenneming af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en J.C.E. Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2025.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]