AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor bezit en voorbereidingshandelingen van harddrugs met gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden
De rechtbank Amsterdam heeft op 25 november 2025 uitspraak gedaan in twee aan verdachte ten laste gelegde zaken die ter zitting zijn gevoegd. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden cocaïne, MDMA en amfetamine op 10 augustus 2025 en 25 december 2023, alsmede het voorbereiden van het verhandelen van deze verdovende middelen door het voorhanden hebben van voorwerpen en middelen die daarvoor bestemd waren.
De rechtbank oordeelde dat het bezit van 3-MMC niet bewezen kon worden vanwege het ontbreken van een NFI-test. Ook werd verdachte vrijgesproken van het opzettelijk binnen- of buitenbrengen van verdovende middelen en het vervaardigen daarvan, omdat dit niet uit het dossier bleek. Wel werd vastgesteld dat sprake was van eendaadse samenloop voor de verdovende middelen in zaak B en meerdaadse samenloop voor overige feiten.
De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een gevangenisstraf van 195 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer behandeling bij Inforsa, locatiegebod met elektronische monitoring, en medewerking aan middelencontrole. Het voorarrest werd in mindering gebracht. Daarnaast werden diverse voorwerpen verbeurd verklaard en verdovende middelen onttrokken aan het verkeer, terwijl geld werd teruggegeven omdat het niet direct aan de bewezen feiten kon worden gekoppeld.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 195 dagen gevangenisstraf waarvan 150 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 120 uur.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/222390-25 (zaak A) en 13/240501-25 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 25 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende op het adres [adres 1]
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. Novaković, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
zaak A:
1. het opzettelijke aanwezig hebben gehad van een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of 3-MMC en/of amfetamine op 10 augustus 2025;
2. het voorbereiden van het verhandelen van verdovende middelen door voorwerpen tot het begaan van een dergelijk misdrijf voorhanden te hebben op 10 augustus 2025;
zaak B:
1. het opzettelijke aanwezig hebben gehad van 13,5 gram cocaïne en/of 13,4 gram MDMA en/of 5,9 amfetamine op 25 december 2023;
2. het voorbereiden van het verhandelen van verdovende middelen door verdovende middelen en andere voorwerpen tot het begaan van een dergelijk misdrijf voorhanden te hebben op 25 december 2023.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Hierbij geldt het volgende.
De rechtbank leest het in de eerste regel van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde vermelde “25 december 2025” als “25 december 2023”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.
3.Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4.Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft in zaak A aangevoerd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van 3-MMC, nu de stof niet door het NFI is getest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van 3-MMC. Voor het overige heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast heeft zij voor feit 2 aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het eerste gedachtestreepje, te weten “het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen”. Uit het dossier blijkt niet dat de voorbereidingshandeling zien op het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen. Voor het overige refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft zij verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het tweede gedachtestreepje, te weten “het opzettelijk vervaardigen”. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht die zien op het vervaardigen van verdovende middelen. Voor het overige refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Tot slot heeft zij aangevoerd dat er in beide zaken sprake is van eendaadse samenloop.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde
4.3.1.1 De bewijsmiddelen
Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en
omstandigheden vervat in de inhoud van:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025;
een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025199091-49 van 12 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerd pag. 13-16;
een proces-verbaal van bevindingen ter zake vermoedelijke overtreding van artikel 2/B/C, en artikel 10A Opiumwet door verdachte [verdachte] , inclusief fotobijlagen met nummer PL1300-2025199091 van 21 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerd pag. 49-53;
een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer 250825-822-261, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] , [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pag. 120-125;
Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 5 september 2025, van [deskundige 1] , in de zaak tegen verdachte [verdachte] , doorgenummerd pag. 126;
Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 3 september 2025, van [deskundige 2] , in de zaak tegen verdachte [verdachte] , doorgenummerd pag. 127;
Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 3 september 2025, van [deskundige 2] , in de zaak tegen verdachte [verdachte] , doorgenummerd pag. 128;
Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 3 september 2025, van [deskundige 2] , in de zaak tegen verdachte [verdachte] , doorgenummerd pag. 129.
4.3.1.2 Overweging ten aanzien van feit 1
Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opzettelijk aanwezig hebben van 3-MMC niet kan worden bewezen, omdat dit niet volgt uit het dossier.
4.3.1.3. Overweging ten aanzien van feit 2
De rechtbank is, net als de raadsvrouw, van oordeel dat het eerste gedachtestreepje (het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen) niet bewezen kan worden, nu dit niet blijkt uit het dossier.
4.3.2.
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde
De rechtbank acht, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4.3.2.1. Overweging ten aanzien van feit 2
De rechtbank is, net als de raadsvrouw, van oordeel dat het tweede gedachtestreepje (het opzettelijk vervaardigen) niet bewezen kan worden, nu dit niet blijkt uit het dossier.
4.3.3.
Ten aanzien van het in zaak A en in zaak B tenlastegelegde
De rechtbank is van oordeel dat er in zaak B (waarbij de verdovende middelen ook onder 2 ten laste zijn gelegd) ten aanzien van de verdovende middelen sprake is van eendaadse samenloop. Voor het overige is er sprake van meerdaadse samenloop, omdat het enkel aanwezig hebben van verdovende middelen volgens de rechtbank niet voldoende is voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandeling die zien op het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van verdovende middelen. Hiervoor is meer vereist, zoals het (in zaak A onder 2 en zaak B onder 2 tenlastegelegde) voorhanden hebben van andere voorwerpen, zoals sealbags, een geldtelmachine, een centrifuge, weegschalen, verpakkingsmaterialen en een vervoermiddel. In dat licht is de rechtbank van oordeel dat er met betrekking tot het respectievelijk in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde en in zaak B onder 1 en 2 (met uitzondering van de verdovende middelen) tenlastegelegde sprake is van meerdaadse samenloop.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1.1. en in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A onder 1 tenlastegelegde
op 10 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, MDMA en amfetamine behorende bij de goednummers 6695557, 6695567, 6695548 en 6695574, in elk geval middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
ten aanzien van zaak A onder 2 tenlastegelegde
op 10 augustus 2025 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten - het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, en - het opzettelijk vervaardigen van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
voor te bereiden en te bevorderen de navolgende voorwerpen: meerdere sealbags meerdere ponypacks een geldtelmachine een centrifuge verpakkingsmateriaal meerdere weegschalen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten;
ten aanzien van zaak B onder 1 tenlastegelegde
op 25 december 2023 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 13,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, 13,4 gram van een materiaal bevattende MDMA en 5,9 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne, MDMA en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van zaak B onder 2 tenlastegelegde
op 25 december 2023 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, - een scooter en - meerdere telefoons en - 13,5 gram cocaïne, 13,4 gram MDMA en 5,9 gram amfetamine, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6.Motivering van de straf
6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden aan het voorwaardelijke strafdeel. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 120 uren gevorderd.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de eis van de officier van justitie te volgen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
6.3.1.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die zien op de handel in harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid harddrugs.
Hieruit volgt dat verdachte zich niet heeft bekommerd om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van gebruikers en de met drugshandel gepaard gaande keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwricht en overlast kan veroorzaken. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten.
6.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast heeft verdachte op zitting aangegeven dat hij inziet dat hij verkeerd bezig was. Hij is bereid aan zichzelf te werken en zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering in het reclasseringsadvies van 29 oktober 2025.
Uit het reclasseringsadvies van 29 oktober 2025 volgt dat er bij verdachte sprake is van verslavingsproblematiek. Hij pleegde het ten laste gelegde om in zijn verslaving te kunnen voorzien. Daarnaast spelen er psychische problemen, die volgens betrokkene deels voortkomen uit familieproblemen. Hij staat op de wachtlijst bij Inforsa waar hij in januari 2026 kan starten met (ambulante) behandeling.
6.3.3.
Straf
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die rechtbanken onderling
hebben gemaakt over op te leggen straffen voor dezelfde soort feiten.
Voor het opzettelijk aanwezig hebben van 1500 – 2000 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Daar komen de voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet nog bij.
De rechtbank is van oordeel dat een spoedige behandeling van verdachte in het kader van het verminderen van de kans op recidive prevaleert boven een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarom zal zij in het voordeel van verdachte afwijken van de oriëntatiepunten. Wel zal de rechtbank een hoger voorwaardelijk strafdeel verbinden aan de bijzondere voorwaarden dan de officier van justitie heeft geëist. Daarnaast zal de rechtbank ook de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 120 uur opleggen.
De rechtbank merkt op dat zij tot een andere berekening is gekomen van het aantal dagen voorlopige hechtenis dan de officier van justitie en de raadsvrouw. De verdachte is namelijk op 10 augustus 2025 in verzekering gesteld en met ingang van 23 september 2025 is de voorlopige hechtenis geschorst. Dit zijn 45 dagen.
Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 195 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren opleggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 120 uur opleggen te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis als deze taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.
Voorlopige hechtenis
Nu de verdachte de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft uitgezeten, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7.Beslag
De beslaglijst is opgenomen in bijlage IIIdie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Verbeurdverklaren
De centrifuge, computer ( te weten: een geldtelmachine),weegschalen en verpakkingsmateriaal moeten verbeurd worden verklaard, omdat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.
Onttrekken aan het verkeer
De verdovende middelen en de medicijnen moeten worden onttrokken aan het verkeer, nu deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemene belang en deze middelen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Teruggave aan de verdachte
Het geld en de vreemde valuta moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu niet is gebleken dat deze zijn gerelateerd aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank overweegt hierbij dat hoewel het geld vermoedelijk afkomstig is uit de handel van drugs, de rechtbank niet tot verbeurd verklaring over kan gaan, gelet op de wijze waarop de handelingen zijn tenlastegelegd en bewezenverklaard. Niet kan worden vastgesteld dat het geld afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De telefoon, sigaretten, sleutels en het kentekenbewijs moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
9.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A onder 1 en zaak B onder 1 tenlastegelegde:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van zaak A onder 2 en zaak B onder 2 tenlastegelegde:
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10, voorbereiden, door voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 195 (honderdvijfennegentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 150 (honderdvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet
tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2(twee)jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd
niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich bij Inforsa Reclassering op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
Veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. Hij is hiervoor aangemeld. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor (crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek). Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft, indien de toezichthouder dit nodig acht, in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dit nodig vindt Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
- Locatiegebod (met elektronische monitoring)
De huidige elektronische monitoring wordt voortgezet, zolang de reclassering dit nodig vindt.
Veroordeelde is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met betrokkene en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfaders te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden.
Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod.
Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het openbaar ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen.
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt aan bij het voorkomen van delictgedrag.
- Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen
van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht. bedoeld in artikel l4c, zesde lid, van
het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het
zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de
voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uur te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.