ECLI:NL:RBAMS:2025:10666

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
13/050050-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die betrokken was bij de invoer van 126 kilogram cocaïne. De officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, had gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde geschat zou worden op € 655.200,00. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat het daadwerkelijke wederrechtelijk verkregen voordeel € 57.473,64 bedraagt. Dit bedrag is berekend op basis van de nettowinst per kilogram cocaïne, die door de rechtbank is vastgesteld op € 456,14. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdediging betoogde dat de vordering afgewezen moest worden omdat niet bewezen kon worden dat de veroordeelde feit 2 had begaan. De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was dat de veroordeelde voordeel had verkregen uit de drugshandel. De rechtbank heeft de veroordeelde verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, zonder dat er omstandigheden zijn aangevoerd die zouden wijzen op een onvermogen om aan deze verplichting te voldoen. De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/050050-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 24 december 2025
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de
officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/050050-24 tegen:
[de veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman, mr. S.Ph.Chr. Wester, tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2025 naar voren hebben gebracht.

2.De vordering en de grondslag daarvan

De officier van justitie heeft in een inleidende schriftelijke vordering van 14 oktober 2025 gevorderd dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op € 655.200,00 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen.
In een vonnis van heden, 24 december 2025, heeft deze rechtbank de veroordeelde onder meer veroordeeld voor, kort gezegd, het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 126 kilogram cocaïne, in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 13 december 2020 (feit 2).
De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en beoogt het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen uit feit 2 waarvoor de veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ van 2 juli 2024, met bijlage.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat niet bewezen kan worden dat veroordeelde feit 2 heeft begaan. Subsidiair stelt de raadsman dat veroordeelde niet het voordeel heeft genoten zoals opgenomen in het ontnemingsrapport.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het op grond van de bewijsmiddelen in het vonnis in de onderliggende zaak en de bewijsmiddelen zoals opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis aannemelijk is dat veroordeelde voordeel heeft verkregen uit concrete feiten, namelijk uit het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 126 kilogram cocaïne.
Uit het vonnis in de onderliggende zaak volgt dat die 126 kilogram cocaïne op verschillende momenten is uitgevoerd:
a. 21 kilogram in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 17 september 2020;
b. 36 kilogram in de periode van 29 september 2020 tot en met 5 oktober 2020;
c. 23 kilogram in de periode van 8 oktober 2020 tot en met 9 oktober 2020;
d. 16 kilogram in de periode van 2 november 2020 tot en met 4 november 2020;
e. 30 kilogram in de periode van 12 december 2020 tot en met 13 december 2020.
In het ontnemingsrapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van een nettowinst voor veroordeelde van € 5.200,00 per uitgevoerde kilogram cocaïne. Dit bedrag is gebaseerd op twee chats tussen veroordeelde en andere SKY-ID gebruikers. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag niet tot uitgangspunt kan dienen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De chats zien niet op de uitvoer van de 126 kilogram cocaïne waarvoor veroordeelde is veroordeeld en de raadsman heeft onderbouwd betwist dat de rol van veroordeelde bij de verschillende uitvoermomenten van die in totaal 126 kilogram telkens dezelfde is geweest. Volgens de raadsman volgt uit chats tussen veroordeelde en SKY-ID gebruiker [ID 1] dat veroordeelde aan de onder a. genoemde uitvoer van 21 kilogram cocaïne ‘1 blok’ heeft verdiend. Uit chats tussen veroordeelde en SKY-ID gebruiker [ID 2] volgt volgens de raadsman dat veroordeelde aan de uitvoer van de onder b. genoemde 36 kilogram cocaïne ‘4 blokken’ heeft verdiend. Daarbij gaat de raadsman er wel van uit dat op een blok genoemde € 5.200,00 aan winst kan worden gemaakt. De rechtbank volgt de verdediging in dit standpunt en zal dit tot uitgangspunt nemen bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Veroordeelde heeft dan aan de uitvoer van de onder a. genoemde 21 kilogram en de onder b. genoemde 36 kilogram in totaal (5 blokken x € 5.200,00 =) € 26.000,00 overgehouden, wat omgerekend neerkomt op een winst van ongeveer € 456,14 per uitgevoerde kilogram. De rechtbank zal het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom schatten op (126 kilogram x € 456,14 =) € 57.473,64.
Het verweer dat veroordeelde het door hem behaalde voordeel 50%-50% met anderen moest delen heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd en dit volgt ook niet uit de chats waarnaar de raadsman verwijst. Dat veroordeelde voor de uitvoer van de onder e. genoemde 30 kilogram cocaïne een bedrag van € 10.000,00 niet betaald heeft gekregen is ook onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde € 57.473,64 bedraagt.

4.De verplichting tot betaling

De rechtbank stelt het te ontnemen bedrag vast op € 57.473,64. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat veroordeelde niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. Daarom veroordeelt de rechtbank veroordeelde dit bedrag aan de Staat te betalen.

5.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 57.473,64.
(zevenenvijftigduizend vierhonderd drieënzeventig euro en vierenzestig cent).
Legt op aan
[de veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 57.473,64.
(zevenenvijftigduizend vierhonderd drieënzeventig euro en vierenzestig cent)aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
1.080 (duizendtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2025.
[(...)]